Laatste reacties

  • Maarten Het spijt me. Maar als je Mu
  • VRAAG Hallo slimme lezers, Ik wil
  • Freek En heb je het al gelezen? Zo
  • Maarten Arie: ze worden veronderstel
  • Arie Maar dat meesterschap dat di
  • Freek Waarom voel je je eigenlijk
  • Maarten Wat vindt je dan van boeken
  • Arjen Leuk dat je daar wakker van

Auteurs

web-log.nl, powered by TypePad

20 november 2009

Schrijversduo's

Schrijversduo’s: Bosma & Vogelaar, Rotthier & O’Hanlon, Van der Lee & Groenendijk

Het is geen nieuwe fenomeen: boeken geschreven door twee auteurs die lezen alsof ze door één vaste hand zijn geschreven. En daarom onder één naam worden gepubliceerd. Denk aan de pseudoniemen Elvis Peeters, Jan Tetteroo en – in de thrillerwereld – Escober.
Het komt ook voor dat een duo samen een boek schrijft en beider namen op het omslag zet. Gek genoeg zijn juist die boeken geschreven door één van de twee. De andere naam staat erbij om het boek te verkopen.
Een voorbeeld is Rudi Rotthier en Redmond O’Hanlon, die over God, Darwin en natuur publiceerden (Atlas, 2009). Alle details suggereren dat de twee reisschrijvers samen een boek hebben geschreven. Zelfs het copyright delen ze. In werkelijkheid beschrijft Rotthier hoe hij tien dagen optrok met zijn veel beroemdere Britse collega, die hem de plaatsen van belang uit zijn leven liet zien.
Nog een voorbeeld: Twintig maanden knettergek van Ella Vogelaar en Onno Bosma (Balans, 2008). Het boek beschrijft Vogelaars periode als minister, maar het is in feite een dagboek van haar levensgezel die, zelf gepensioneerd, haar doen en laten op de voet volgt. Vogelaar heeft alleen, met haar rode pen, het manuscript gefatsoeneerd en een enkel te intiem detail geschrapt.
Iets anders ligt het bij Geheimen van de Maasai van Ton van der Lee en Jandries Groenendijk (Balans, 2008). De eerste schreef het verslag van een reis naar de binnenlanden van Kenia, de tweede schoot de bijgevoegde dvd. Maar vooral: door zijn kennis van de Maasai zorgde hij ervoor dat Van der Lee in deze wereld werd opgenomen. Zijn naam op het omslag is zo ook een dank je wel.
Een auteur verzinnen als marketingstunt vind ik misleiding. Een auteur verzinnen om hem te bedanken vind ik sympathiek.

Maarten Dessing

5 november 2009

Perzisch vuur

Tom Holland, Perzisch vuur, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007

Het populariseren van de geschiedenis is moeilijker dan het lijkt. Kijk naar recente Hollywood-films over de klassieke oudheid. Alexander, 300 of Troy. Regisseurs misvormen de mythische verhalen om hedendaagse drama’s te tonen en schromen niet hun helden te tooien met anachronistische maliënkolders omdat die er zo goed uit zien. Op papier zijn populaire bewerkingen niet anders – niet zelden wordt de historische werkelijkheid geweld aangedaan.
Tom Holland kan het wel. In Perzisch vuur vertelt hij het bekende verhaal van de Perzische inval in Griekenland in de jaren 480 voor Christus. Te lang, was Hollands motivatie, had het grote publiek niet meer kunnen lezen over de verassende Atheense overwinning bij Marathon, de geniale strategie van Themistocles in de Slag bij Salamis, of de Slag bij Thermopylae, waar driehonderd Spartanen dagenlang standhielden tegen het miljoenenleger van Xerxes.
De jonge Britse historicus gebruikt iedere literaire truck om zijn verhaal aantrekkelijk te maken. Moderne woorden: taskforce, Realpolitiek, hype of pre-emptive strike. Overdrijvingen: ‘een van de meest doorslaggevende beslissingen in de krijgsgeschiedenis’. En een uiterst zintuigelijk stijl. Je hoort de geluiden van het slagveld, ziet de mist optrekken en voelt de zenuwen van een hopliet die optrekt richting de Perzische overmacht.
Vooral de verslagen van veldslagen lezen alsof de schrijver er zelf bij was. ‘Honderd meter, vijftig, tien, en toen, terwijl de Atheense strijdkreet, een bloedstollend gehuil dat zelfs boven het gestamp van hun voeten op de dorre aarde, de kakofonie van kletterend metaal en de paniekkreten van de vijand uitklonk, knarste de falanx in de Perzische linie. De klap was vernietigend.’
Ook pretendeert Holland dat het 2500 jaar oude verhaal actueler is dan ooit – en dus relevant. Volgens hem is de strijd tussen het Perzische wereldrijk en de coalitie van Griekse steden de eerste confrontatie in het nog altijd brandende conflict tussen Oost en West. Aan de ene kant de uitvinders van de heilige oorlog en een dictatoriaal regiem waaronder een multi-etnische samenleving in vrede kon leven. Aan de andere kant de uitvinders van democratie en vrijheid die zij alleen aan eigen burgers konden geven om de samenleving werkbaar te houden.
Bij veel schrijvers ontaarden een stijl en aanpak als die van Holland in speculatieve geschiedenis waar je op z’n best je schouders over ophaalt, maar die je vaker ergert. Bij Holland nooit. Nooit gaat hij over de grens. Altijd blijf je erop vertrouwen dat hij zijn beschrijvingen en uitspraken baseert op de wetenschappelijke literatuur die hij drie jaar lang intensief heeft bestudeerd. Dat maakt Perzisch vuur literaire non-fictie op zijn best.

Maarten Dessing

28 oktober 2009

Oeroeg

Hella Haasse, Oeroeg, CPNB, 2009

Voor de eindexamenlijst is er altijd een rijtje boeken dat populair is onder vrijwel alle leerlingen en in ieder geval onder de wat luiere lezers. Nu kan je vanuit je luie stoel talloze leesverslagen en samenvattingen raadplegen, maar 17 jaar geleden was er nog geen internet en kostte het soms meer moeite om naar de bibliotheek te gaan en een uittreksel te zoeken dan de 90 of 100 bladzijden te lezen van bijvoorbeeld Het bittere kruid, De ronde van ‘43 of Oeroeg. De reden dat iedereen die boeken koos, was voor mij genoeg om dat juist niet te doen. Onzin natuurlijk, want stuk voor stuk zullen het boeiende literaire werkjes zijn. Ze hadden alleen last van de verkeerde vorm van populariteit. Net als Für Elise, een schitterend stuk, maar dood gedraaid en dood gespeeld in warenhuizen, op muziekdoosjes of door mensen die maar één stukje op de piano kunnen. Een beetje zoals de aardappeleters op een mok of een stropdas.

Nu Oeroeg het boek is van de actie Nederland leest, krijgt het ongetwijfeld de aandacht die het verdient. Al vraag ik me af of al die mensen die het vroeger op hun lijst hadden staan, het nog een keer op zullen pakken. Maar misschien geeft wederom de dikte van het boek de doorslag om het juist wel te doen. Ik zal het deze keer in ieder geval gaan lezen.
   
Arjen van Meijgaard

20 oktober 2009

De dienstbode

Isabel Marie, De dienstbode, Aristos, 1996

Wat is dat toch met boeken waarin de 'ik' aan het eind meedeelt een boek te gaan schrijven over wat hij of zij heeft meegemaakt. En dat is dan natuurlijk het boek dat de lezer in handen heeft. Ik voel me altijd een beetje bekocht. Alsof dat de enige reden is om het te schrijven en op die manier het cirkeltje rond te maken. Soms ook eindigt een verhaal alleen met de vraag:  'En als ik hier nu eens een boek over schreef?' Dan weet je natuurlijk al genoeg. Maar vaak staat het er expliciet.
Zo ook in De dienstbode van Isabel Marie. Sarah, net klaar met haar studie Filosofie, wil iets heel anders in haar leven en reageert op een advertentie waarin een diensmeisje gevraagd wordt. Ze wordt aangenomen bij een afstandelijk echtpaar. De vrouw en de man leven hun eigen leven, zij komt de deur niet uit en is alleen maar bezig met het schoonhouden van haar lichaam. Hij, een zakenman, is altijd op pad en alleen 's nachts hebben ze contact, tijdens de liefdesdaad zonder liefde. Langzaam neemt Sarah de regie in handen en sluit met beide echtlieden een pact waardoor ze voor beiden onmisbaar wordt. Mooi thema, alleen halverwege het verhaal begint Sarah haar eigen verhaal te schrijven, een afgeleide van wat de lezer op dat moment leest. En langzaam ontstaat er een boek. Aan het einde is het manuscript af, ze stuurt het op en krijgt direct, uiteraard tegen haar verwachting in, een contract bij een uitgever.
Het is een beetje het Droste-effect met een verhaal in een verhaal. Leuk om te zien, maar of het de smaak van de cacao ten goede komt, is de vraag. Op de een of andere manier komt het op mij te makkelijk over. Maar misschien is het ontzettend lastig om zoiets te bedenken. Of is het waargebeurde fictie, en dan is er weinig aan te doen.
 
Arjen van Meijgaard

15 oktober 2009

De kunst van het schrijven

Kees ‘t Hart, De kunst van het schrijven, Querido, 2007

Wie braaf alle tips uit schrijfboeken navolgt, schrijft nooit een roman die de AKO Literatuurprijs kan winnen. Gebruik actieve zinnen, creëer een geloofwaardig conflict, schrijf beeldend, schep markante personages, hou dialogen levendig, show don’t tell, enzovoort. Het zijn de basisregels voor vakmanschap. De AKO-jury eist meer, de AKO-jury eist meesterschap.
De beste schrijfboeken zijn daarom de schrijfboeken die daar op wijzen. Arie Storm toonde in De X-Files van de literatuur aan de hand van het werk van A.F.Th. van der Heijden al overtuigend aan dat de beste schrijvers de regels op het juiste moment overtreden. Kees ‘t Hart redeneert in De kunst van het schrijven dat alle schrijfboeken steeds dezelfde algemene tips geven. Zo onderstrepen ze alleen maar de conventie en geven ze nooit instructies hoe je een meesterwerk kunt schrijven.
Hoe schrijf je dan een meesterwerk? In zijn boek analyseert Kees ‘t Hart, samen met de auteur, zes romans van respectievelijk Hella Haasse, A.F.Th. van der Heijden, Tom Lanoye, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom en K. Schippers. Door simpelweg te laten zien waarin de boeken verschillen wil hij blootleggen waarin de kwaliteit schuilt. In plaats van schrijftips te geven, wat ‘t Hart pertinent niet doet, wil hij aankomende schrijvers zo inspireren.
In zijn uitmuntend slotbetoog legt hij uit hoe hij dat bedoelt. Meesterschap is geen kwestie van een mysterieuze gave, schrijft hij, maar van ontzettend veel lezen en schrijven en zo greep krijgen op moeilijke vragen als: wanneer is een scène te lang? Of: wat is een geloofwaardig personage? ‘Een talentvolle schrijver’, aldus ‘t Hart, ‘is iemand die niet erg lang hoeft te oefenen.’

Maarten Dessing

11 oktober 2009

Een jaar op een onbewoond eiland

Bob Snoijink, Een jaar op een onbewoond eiland, Bzztôh, 1990.
 
Bob Snoijink kreeg in 1987 de vraag van de redactie van het blad waar hij voor werkte als freelance journalist of hij een jaar op een onbewoond eiland in de Stille Oceaan wilde verblijven en daar een verslag van wilde maken. Hij twijfelde geen moment en vertrok met zijn vriendin naar Ata, een van de eilanden van de Fiji-archipel. Er moest het een en ander geregeld worden bij de lokale autoriteiten, maar eenmaal aangekomen op het stuk land met een oppervlakte van vijftig voetbalvelden, begon het avontuur. Lokale vissers kwamen vooral in het begin naar de nieuwe bewoners kijken en het eiland bleek eigendom van een rijke Amerikaan die een enkele keer vrienden langs stuurde om er een paar dagen te verblijven, maar los daarvan hadden Bob en zijn vriendin Chris alleen elkaar, de kippen en een hond om mee te praten. De eerste maanden waren zwaar en ook tussen Bob en Chris liep het niet soepel, geen valse romantiek dus. Maar langzaam keerde het tij en uiteindelijk werd het voor hen een paradijselijke ervaring, niet zozeer door de witte stranden, de palmbomen en het aangename klimaat, maar vooral doordat zij afgeloten waren van de bewoonde wereld en niets 'moesten' in de zin van buitenaf opgelegde verplichtingen. Het enige moeten bestond uit een stevig onderkomen bouwen, iedere dag (en nacht) bij eb de vissen uit het uitgezette net halen, groente verbouwen en schoon drinkwater verzamelen.  
Los van de vraag of het in 2009 nog mogelijk is om een stille en afgelegen plek te vinden, zal menigeen niet direct zijn biezen pakken om zich zo af te zonderen en slechts te leven van wat de natuur aanbiedt. Maar ik heb gemerkt dat het van tijd tot tijd lezen van een avontuur als dit genoeg is om sluimerdende Robinson Crusoe-gevoelens de bevredigen. Zie ook Ons leven op walviseiland.
 
Arjen van Meijgaard

4 oktober 2009

Een goede man slaat soms zijn vrouw

Joris Luyendijk, Een goede man slaat soms zijn vrouw, Podium (elfde druk, 2008)

Hoe zou ik dit boek hebben gelezen als ik dat had gedaan vlak nadat het in 1997 was verschenen? Van een hysterische obsessie met de islam was nog geen sprake, Nederland was er nog trots op een verlicht, tolerant land te zijn. Ik zou hebben gedacht: vreemde mensen, die Egyptenaren, wat een rare denkbeelden houden ze erop na. En ik zou een volgend boek hebben gepakt.
Elf jaar later voedt Een goede man slaat soms zijn vrouw mijn somberheid over het vastgelopen debat tussen Oost en West. Deze conclusie dringt het boek op: decennia van dictatuur en propaganda hebben een bevolking overtuigd van een Westerse samenzwering tegen Egypte - onder leiding van de Joden verdelgen we de samenleving met homoseksualiteit, aids en vrouwenrechten. Ze haten het Westen.
Een goede man slaat soms zijn vrouw is daarmee een boek geworden dat munitie levert aan Wilders c.s. die ervoor ijveren om hun volgelingen net zo haatdragend, gefrustreerd en blind te maken als de Egyptenaren, een cultuur van haat te creëren, en zo Westerse waarden als respect en tolerantie vernietigen. Zie je wel, lees Luyendijk - hoewel de figuren in zijn boek geen van allen agressief zijn en hun overtuigingen nooit zullen omzetten in terreurdaden
De auteur is zelf bewust van deze paradigmawisseling in onze blik op het Midden-Oosten. In een nawoord bij de zevende druk zegt hij dat nu interessanter is om een boek te maken over de overeenkomsten tussen Egyptische en Nederlandse jongeren – een boek dat je na lezing van Een goede man slaat soms zijn vrouw wel degelijk kunt voorstellen. Ondanks hun denkbeelden zijn de meeste Egyptenaren die Luyendijk ontmoet sympathiek.
Het is spijtig dat zo’n goede en intelligente schrijver als hij zijn belangstelling heeft verlegd en dat boek zelf niet maakt. Aan zo’n boek is dringend behoefte.

Maarten Dessing

30 september 2009

De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita

João Ubaldo Ribeiro, De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita (vertaling: Harry Lemmens), De Bezige Bij, 2005

De inwoners van het Braziliaanse eiland Itaparica, zo schrijft João Ubaldo Ribeiro in De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita, staan de hele dag bloot aan radioactiviteit. Het is daarom dat zij zo bezeten zijn van lust. ‘Zelfs de devootste paters en zusters ontsnappen er niet aan, zoals iedereen hier zich kan herinneren, van pater Amadeu met zijn vier liefjes tot zuster Cecilia van de junioren van FC São Lorenço.’
Radioactiviteit als verklaring voor wellust? Het oordeel ligt voor de hand: Ubaldo Ribeiro is een magisch-realistisch auteur uit de klassieke Zuid-Amerikaanse traditie. Daarmee doe je de Braziliaanse auteur tekort. Hij mengt in deze met veel zwier geschreven novelle het bovennatuurlijke met een dikke laag ironie.
In Itaparica wonen mannen als hoofdpersoon Deoquinha Jegue Ruço – stoere machos met één in het oog lopende kwaliteit. Extreme vruchtbaarheid. Hij is in het gezin ‘het hoofd, de ruggengraat, de fundering, de hefboom en het commando’. Vrouwen als Deoquinha’s echtgenote Benedita besteden hun tijd aan kleren verstellen, kinderen opvoeden, naar de kerk gaan en vooral: hun man plezieren.
Ogenschijnlijk is in deze samenleving de vrouw een dociele slaaf van haar man. Als Deoquinha één van zijn buitenechtelijke kinderen moet echten en opnemen in zijn gezin, zodat hij kan worden toegelaten tot het seminarie, stemt Benedita vrijwel meteen toe. Sterker nog: de kans een kind aan God te kunnen geven, wil ze niet laten ontglippen.
Maar waarom is Benedita werkelijk zo grootmoedig? Dat hier verklappen zou veel van het plezier van De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita weghalen. Leuker is het om de novelle over het radioactieve eiland zelf te lezen.

Maarten Dessing

16 september 2009

De druiven der gramschap

John Steinbeck, De druiven der gramschap, Van Holkema & Warendorf, 3e druk, 1947

Al zeventig jaar is De druiven der gramschap de verbeelding van de grootste crisis van de twintigste eeuw. Denk aan de instortende aandeelkoersen in 1929, de grote droogte in de jaren erna, de massawerkloosheid, de sociale maatregelen van president Franklin D. Roosevelt. Haal je de zwart-wit foto’s van armoedzaaiers, getekend door honger en wanhoop, voor de geest. En denk aan de klassieker van John Steinbeck.
Direct na verschijning in 1939 sloeg De druiven der gramschap aan. De roman gold weliswaar als links of zelfs communistisch – ook toen al scheldwoorden in de Verenigde Staten –, John Steinbeck kreeg er de Pulitzer Prize voor, een van de belangrijkste literaire prijzen van Amerika, en nog hetzelfde jaar draaide John Ford een verfilming met Henry Fonda als Tom Joad. In een paar maanden gingen een bijna half miljoen exemplaren over de toonbank.
Het verhaal, dat steeds wordt onderbroken door lyrische beschrijvingen van het landschap dat de stemming van de personages reflecteert, vertelt de ondergang van de familie Joad. De failliete pachters uit Oklahoma proberen in Californië een nieuwe toekomst op te bouwen als fruitplukkers. Maar omdat zo veel families over de Route 66 naar het Westen zijn getrokken, werkt iedereen voor weinig geld. Als de Joads, blij met een baantje, stakingsbrekers blijken te zijn, raken ze betrokken bij een vechtpartij. Tom Joad dood een man en moet vluchten. En de familie valt uit elkaar.
Maar het is niet de bodemloze tragiek die De druiven der gramschap zo beroemd heeft gemaakt. Steinbeck beschrijft geen willoze, krachteloze slachtoffers, maar mensen die – geslagen en gebroken – diep van binnen een kracht hebben behouden om te overleven en ons daarom in de grootste recessie sinds The Great Depression nog altijd kunnen inspireren. Niet voor niets verwijst de Bijbelse titel naar een actieve emotie: gramschap, ofwel toorn, zet aan tot verzet.
Dat gevoel nooit op te geven, vindt zijn hoogtepunt in twee scènes. Als Tom Joad moet vluchten zegt hij tegen zijn moeder dat hij altijd bij haar is. ‘Waar ergens gevochten wordt, omdat hongerige mensen moeten eten, daar ben ik bij. Overal waar de politie een mens ranselt, daar ben ik bij. [Ik zal] hoorbaar zijn in de manier waarop mensen schreeuwen als ze woedend zijn en – en in de manier waarop kinderen lachen als ze honger hebben en weten dat het avondeten klaar is.’
En even later, als het kind van Roos doodgeboren wordt, laat zij de melk in haar borst niet opdrogen, maar legt zij in een tochtige schuur een uitgehongerde stervende man aan.
De toespraak van Tom Joad is legendarisch geworden. Woody Guthrie zong zijn woorden integraal in de protestsong Tom Joad (1940). Bruce Springsteen deed het hem na in The Ghost of Tom Joad (1995). En het karakter leent zijn naam aan meerdere organisaties die strijden voor rechtvaardigheid en solidariteit. Het edelmoedig gebaar van Roos is daarentegen weggemoffeld. Te schokkend voor het preutse Amerika.

Maarten Dessing

9 september 2009

Zoals dat gaat met wonderen

Arthur Japin, Zoals dat gaat met wonderen, Arbeiderspers, 2008

Op reis in Zuid-Afrika, meer dan vijf jaar geleden, krijgt Arthur Japin het idee voor een zelfhulpboek ‘over hoe je de werkelijkheid kunt manipuleren met de fantasie’. Een boek ‘om negativiteit om te zetten in zijn tegendeel’. Hij is zo enthousiast dat hij gelijk aantekeningen begint te maken. Een paar dagen bekoelt zijn enthousiasme. Jean-Jacques Rousseau bleek hetzelfde plan te hebben gekoesterd.
Toch heeft Japin het idee uitgevoerd. Zoals dat gaat met wonderen, een keuze uit zijn dagboeken van de jaren 2000-2007, is het boek dat hem voor ogen moet hebben gestaan.
Zoals dat gaat met wonderen beslaat de periode tussen zijn eerste ontmoeting met Ben en de eerste keer dat een krant schreef dat hij met Ben en Lex een ménage à trois vormt. Het is een ratjetoe aan notities, anekdotes, observaties, herinneringen, belevenissen, ontmoetingen en bespiegelingen. Maar in ieder fragment is de rode draad terug te vinden: Japins programma van liefde en mededogen.
Als een criticus zijn roman neersabelt, beschrijft Japin hoe hij hem op het Boekenbal drie keer op de wang kust en zegt dat hij van hem houdt. Als hij in de tram een ontgroening meemaakt, neemt hij het op voor de feut. Als een collega voor de doodstraf pleit, legt hij uit waarom vergeving zo veel troostrijker is dan wraak. En zo gaat het maand in, maand uit door.
Af en toe geeft de schrijver even concreet als in ieder ander zelfhulpboek tips om een goed en gelukkig leven te leiden. Wie star vasthoudt aan principes, schrijft hij, kwetst zijn medemens en raakt zelf gekwetst. Of: alles kun je op meerdere manieren interpreteren, zien en ervaren.
Sommigen vinden Japins consequente pleidooi voor positiviteit misschien zijig. Of dat hij zichzelf te veel herhaalt. Op mij mist het zijn uitwerking niet. Hoe langer ik in zijn dagboeken las, hoe meer liefde ik voelde voor deze planeet en iedere ziel die er op leeft. Dat was een heerlijk gevoel.

Maarten Dessing

29 augustus 2009

Een bed tussen de boeken

Jeremy Mercer,  Een bed tussen de boeken, Atlas, 2009

Waarom worden sommige boeken pas na vier jaar vertaald? Omdat het minder urgent is het boek te vertalen of omdat het toch wel goed blijkt te lopen en men er in het buitenland ook interesse voor begint te krijgen?
Ik ben in ieder geval blij dat Time was Soft There van Jemery Mercer in het Nederlands verschenen is, want tot nu toe was het mij niet opgevallen, ook al verscheen het in 2005.
De schrijver, een misdaadverslaggever uit Canada, raakt verzeild in de beroemde boekwinkel Shakespeare and Company in Parijs, waar hij onderdak krijgt en zelfs nauw bevriend raakt met de eigenzinnize eigenaar George Whitman.
Sylvia Beach was voor WOII een gelijknamige boekwinkel begonnen die een belangrijke ontmoetingsplek werd voor schrijvers als Hemingway en Joyce. Ze gaf zelfs Ulysses uit.
In de jaren vijftig opent George Whitman op de linker oever van de Seine een boekwinkel en antiquariaat met hetzelfde principe. Op het moment dat de Jeremy Mercer er zijn intrek neemt, in 2000, hebben al meer dan 40.000 mensen één of meer nachten op een van de bedden tussen de boeken overnacht. Veelal berooide en ontheemde schrijvers die een handje helpen in de winkel. Mercer schrijft boeiend over zijn vreemde huisgenoten en het leven in de boekwinkel, die de gemiddelde Parijsgangers wel een keer gepasseerd is of bezocht heeft. De winkel staat tenslotte in iedere reisgids. Maar nu is er dan ook een heel boek over verschenen én vertaald.
      
Arjen van Meijgaard

10 augustus 2009

Eten met Emma

Herman Koch, Eten met Emma, Meulenhoff, 2000

Een plotloos boek, daar is wat voor te zeggen. Maar dan moet de stijl intrigerend zijn, met een meeslepende woordenstroom, knappe taalvondsten en misschien toch een paar subplots. Dat laatste had Eten met Emma wel, al waren ze niet uitgewerkt. De nieuwsgierigheid naar wie Emma is wordt in het begin goed uiteengezet, net als de relatie van de 'ik' met zijn vader, en die van de de vader met Emma. Maar al gauw zijn de verbanden duidelijk en heeft ieder personage zijn of haar plek ingenomen. Ik bleef hopen op een ontwikkeling, niet zozeer aangespoord door het verhaal maar toch op z'n minst omdat ik het vermoeden bezit dat alles ergens toe leidt. Was daarom de teleurstelling groot toen er niets gebeurde? Niet bijzonder, het was te verwachten geweest. En dat is misschien wel weer knap, dat de schrijver nergens iets pretendeert wat hij niet waarmaakt. Wel kwalijk is misschien dat ik tegen het einde begon door te krijgen dat ik het al eens gelezen had. Vaag. Maar is dat de schuld van de schrijver? Of ligt het aan mijn matige geheugen? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik niet snel weer iets van Koch zal lezen, omdat de nasmaak wat bitter is van Eten met Emma. Of zou Het diner daar iets aan kunnen veranderen?
 
Arjen van Meijgaard

27 juli 2009

De laatste expeditie van Stanley

Daniel Liebowitz & Charles Pearson: De laatste expeditie van Stanley. Een waanzinnige tocht door Congo, Mets & Schilt

Wat smulden de Europeanen in de negentiende eeuw van de reisverslagen van de grote ontdekkingsreizigers in dat verre, verre Afrika. Mungo Park, David Livingstone, Henry Stanley. Ieder nieuw avontuur was een bestseller. De beschrijvingen van barre tochten door het donkere continent bevredigden de zucht naar spannende verhalen en heroïsche lotgevallen.
Eigenlijk is De laatste expeditie van Stanley ook zo’n boek. Een heerlijk jongensboek. De Amerikanen Daniel Liebowitz en Charles Pearson beschrijven de tocht die Stanley in de jaren 1887-1890 dwars door Midden-Afrika ondernam om de gouverneur van Equatoria te bevrijden (in het huidige Soedan), boven alles als een spannend verhaal. De gifpijltjes van de inboorlingen. De tropische ziektes. De halfduisternis van het woud. De onderlinge ruzies.
Er is één belangrijk verschil: honderdtwintig jaar na dato heeft de zoete heroïek en bulderende pathos plaats gemaakt voor de waarheid – en die is zelden liefelijk. De alom geroemde Stanley kan zich niet beter voordoen dan hij is. De misschien wel grootste ontdekkingsreiziger van allemaal blijkt een kleinzielige schoft die geen enkel middel schuwde om zijn zin door te drijven.

Maarten Dessing

6 juli 2009

Parijs de verborgen geschiedenis

Andrew Hussey, Parijs de verborgen geschiedenis, De Arbeiderspers, 2007

Een schitterend overzichtswerk van de lichtstad. Hussey begint bij de Parisii, de eerste bewoners van de eilanden in de Seine en eindigt bij het Parijs van Houellebecq en de wereldbeker van 1998. Hoeren, dieven, bedelaars, opportunisten, kunstenaars en intellectuelen hebben de stad gevormd, ook al leefden zij vaak aan de donkere kant van het bestaan. Kleine en grote revoluties zijn er uitgevochten, koningen gekroond en weer vermoord. De stad is al die eeuwen in beweging geweest en verandert nog steeds. Oneindige veel namen van historische figuren en even zovele jaartallen worden afgewisseld met interessante en smakelijke anekdotes. Het boek is opgedeeld in negen delen, de eerste beslaan eeuwen, de laatste slechts decennia, en die delen zijn weer onderverdeeld in hoofdstukken met elk een eigen historisch thema. Handig: aan de hand van een register kunnen straten en namen van personen eenvoudig opgezocht worden. Misschien wat zwaar om de hele dag mee rond te lopen als je in Parijs bent, maar het is het een must voor iedere Parijsliefhebber.
Dit is eerder een ‘andere geschiedenis’ van Parijs dan een antigeschiedenis, zoals de flaptekst vermeldt.
 
Arjen van Meijgaard

25 juni 2009

Opnieuw actueel: Boris Vian

Als hij nog had geleefd, was hij 89 jaar oud. Nu herdenkt Frankrijk deze maand dat Boris Vian vijftig jaar dood is. Zie hier en hier.

9 juni 2009

Le canapé rouge

Michèle Lesbre, Le canapé rouge, Sabine Wespieser Éditeur, 2007
 
Anne vertrekt met de Transsiberië-express naar een dorpje in de buurt van Irkoutsk om Gyl, haar vroegere geliefde, te zoeken. Tijdens de reis observeert ze haar medereizigers en laat zich afleiden door het landschap, ze denkt aan haar voorbije liefde en aan Clemènce, haar oude buurvrouw in Parijs aan wie ze regelmatige verhalen voorlas. De oude vrouw zat dan op een rode bank waartussen ze de foto van Paul verstopt had, haar oude vlam die in de oorlog omgekomen is. Op die manier worden de verhalen van deze vrouwen verweven: beiden verlangen terug naar wat voorbij is, ieder op hun eigen manier. Vindt Anne haar Gyl? Is hij waar ze denkt dat hij is? Is hij nog alleen?

Bij thuiskomst in Parijs blijk de oude buurvrouw ook op zoek te zijn gegaan naar haar geliefde. Zo komen de verhalen van beide vrouwen weer samen, op een brug, boven het stromende water van de Seine.

Dat is vaak het mooie van goede romans, je kunt er zoveel symboliek in vinden als je wilt (treinreis, rode canapé, Seine, foto's), maar evengoed genieten van het verhaal zelf. Ik had het in het Frans gelezen, het verwondert me niet dat het inmiddels is vertaald. In 2008 verscheen het boek bij Ailantus onder de titel De rode canapé.

   

Arjen van Meijgaard

25 mei 2009

Verhalen van liefde, waanzin en dood

Horacio Quiroga, Verhalen van liefde, wanzin en dood, Coppens&Frenks Uitgevers, 1995.

Liefde, waanzin en dood zijn thema's van alle tijden. Dan maakt het niet uit of ze verhalen dienen die honderd jaar geleden geschreven zijn en zich in de jungle van Zuid-Amerika afspelen. Zoals de man die per ongeluk, terwijl hij onder het hek van zijn plantage doorkruipt, op zijn machete valt en voelt dat hij gaat sterven omdat het mes diep in zijn buik steekt. Of de jongen die overmoedig en net in de jungle zich te ver van het dorp waagt en ten ten prooi valt aan de marcheerders, alles verwoestende mieren. Niet voor niets is dood het laatste woord in de titel, want na liefde en waanzin volgt in Quiroga's verhalen onherroepelijk de dood. Soms verdiend, soms als een noodlottig toeval. En hoe bizar in enkele gevallen het ook mag lijken, gezien het landschap en het tijdperk, toch geloofwaardig.
Volgens de nawoord van Maarten Steenmeijer, die ook de vertaling verzorgde, was het de dood volop aanwezig in het leven van Horacio Quiroga, waardoor het niet vreemd is dat dat thema hem aangreep en inspireerde. Aan het einde van zijn leven trok hij zich terug en leefde eenzaam in het oerwoud in een wat achtergebleven province van Argentinië. En zo vond ik ook zijn verhalen: in een klein antiquariaat, weggestopt in een verre kast, maar daardoor juist des te aantrekkelijker. Mede door de mooie uitgave van Coppens&Frenks, dat moet gezegd.

Arjen van Meijgaard

15 mei 2009

De tegenstander

Emmanuel Carrère, De tegenstander, De Arbeiderspers, 2001
 
De hoofdpersoon van dit boek is bekend, of kan ik beter zeggen: was zeer bekend. Hij heeft zelfs een vermelding in Wikipedia en er is een film gemaakt over zijn leven, maar niet in positieve zin. Het gaat om Jean-Claude Romand, de man die in 1993 zijn vrouw en kinderen vermoordt en vervolgens zijn ouders, daarna een overdosis pillen inneemt en zijn huis in brand steekt. Met als doel te ontkomen aan de ontluisterende ontknoping van zijn jaren lange leugen waar hij iedereen in liet geloven.
Voor de buitenwereld had hij een belangrijke functie bij de WHO, maar in werkelijkheid hing hij rond op parkeerplaatsen en in hotels. Hij bood aan geld te belegen (het ging om enkele honderdduizenden francs) voor zijn familie en schoonfamilie en kon het daar al die tijd mee uitzingen. Tot het op was en er bovendien langzaam barstjes kwamen in zijn gefingeerde bestaan. Hij overleefde de brand die hij zelf had aangestoken en er werd een uitgebreid proces tegen hem gevoerd met als uitkomst: levenslang.
Emmanuel Carrère was gefascineerd door dit dubbelleven en wilde er een boek over schrijven. Hij nam contact op met Jean-Claude en vroeg om toestemming, die hij kreeg. Hij verdiepte zich vervolgens grondig in zijn hoofdpersoon, sprak met vrienden van Jean-Claude, woonde het proces bij en bezocht hem naderhand in de gevangenis. Hij reed zelfs naar de parkeerplaatsen waar Jean-Claude zijn dagen sleet. Om inzicht te krijgen in het waarom en te ontdekken waar het was misgegaan. Hoewel hij ver kwam, lukte het Carrère niet om het te begrijpen. Romand had leugen op leugen gestapeld en bij ieder verhaal, in de rechtbank of via brieven, drong zich steeds de vraag op: is het waar wat hij vertelt? Een leugenaar die zo gelooft in zijn eigen leugens, liegt niet meer, maar leeft in een andere werkelijkheid.
Als alles goed gaat, komt hij 2015 vrij. Het is de vraag of hij dan beseft wat er is gebeurd en weet met welk leven hij verder moet.

Arjen van Meijgaard

7 mei 2009

Het laatste verhaal van Miguel Torres da Silva

Thomas Vogel, Het laatste verhaal van Miguel Torres da Silva, De Arbeiderspers, 2002.

Hoeveel konijnenpaartjes worden er in één generatie geworpen, aangenomen dat elk konijnenpaar één konijnenpaar in de volgende en één in de daarop volgende generatie voortbrengt en dan door de boer en boerin wordt opgegeten?
Het laatste verhaal van Miguel Torres da Silva speelt in de 18e eeuw in Coimbra en vertelt het verhaal van de kleinzoon van een beroemde verhalenverteller die tijdens het vertellen van een verhaal overleed. Dat was dus zijn laatste verhaal. De kleinzoon, gefascineerd door getallen, gaat te voet vanuit zijn dorp naar Coimbra om daar wiskunde te gaan studeren bij een beroemde professor met wie hij vriendschap sluit. Tegelijk probeert hij de verhalen van zijn grootvader op te schrijven en vooral het laatste verhaal af te maken. Allemaal aardige ingrediënten van een aardig boek. Aardig om een beetje ingewijd te worden in de wereld van de getallen, aardig om te lezen over het 18e eeuwse Coimbra (maar misschien alleen omdat ik er stage heb gelopen), aardig om te zien hoe de schrijver fictie en werkelijkheid vermengt. Helaas, meer is het niet. Het kan nog zijn dat de stijl buitengewoon was en er veel daarvan verloren is gegaan bij het vertalen, maar dat kan ik me niet voorstellen.
Maar het is goed dat ik het gelezen heb. Ik weet in ieder geval de oplossing van de eerste vraag: 1-1-2-5-8-13-21-34-55-89-enz. Je weet nooit waar het goed voor is.
   
Arjen van Meijgaard

28 april 2009

Mevrouw Sartoris

Elke Schmitter, Mevrouw Sartoris, De Bezige Bij, 2001

Iedere boekenliefhebber die naam waardig doet af en toe boeken weg. Hij moet wel: steeds nieuwe aankopen verdringen oudere titels uit de kasten. Maar welk boek moet weg? En waarom?
Mevrouw Sartoris van de Duitse schrijfster is deze week gesneuveld. Het boek verscheen in 2001. Vermoedelijk heb ik het meegenomen van mijn werk. De boeken die we binnen kregen en waar we niets mee deden, verdeelden we onderling. Kennelijk had ik goede hoop dat ik het een goede roman zou vinden. Omdat het is uitgegeven door De Bezige Bij? Omdat achterop een lovende quote van Marcel Reich-Ranicki staat? Misschien.
Vermoedelijk, kennelijk, misschien – al deze woorden geven al aan: ik weet niets meer van Mevrouw Sartoris. Ook de samenvatting van de inhoud op de binnenflap roept niets op. Ik kan alleen terugvinden dat ik het in augustus 2001 heb gelezen. Bijna acht jaar heeft het daarna in mijn kast stof gevangen.
Zo’n gat in mijn geheugen is voldoende reden om de roman uit mijn collectie te verwijderen. De schrijfster heeft zich ook niet ontwikkeld tot een grote naam. En ik heb haar nooit geïnterviewd, waardoor een handtekening met opdracht of een goede herinnering mij niet kan aansporen het boek te behouden.
Hopelijk vindt Mevrouw Sartoris een nieuwe eigenaar die het langer in zijn bezit zal houden.

Maarten Dessing

21 april 2009

Ode aan de Oba

Adriaan Jeaggi e.a., Ode aan de Oba, 13/7/07, Ex Ex Uitgevers, 2007.

Ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Openbare bibliotheek in Amsterdam. De 12 verhalen en het ene gedicht gaan in deze bundel gaan over leeskringen, voorleessessies, boekliefhebbers en bibliotheken. Door de ogen van een van de schrijvers zelf, of als fictief verhaal. De verhalen zijn kort en vermakelijk, zoals Consumptiebonnen van Boudewijn Büch, waarin hij met Gerrit Komrij ergens mag voordragen maar er achteraf geen hond boeken komt kopen (het is tenslotte bibliotheekpubliek) of het verhaal Eerste rit van Guus Bauer waarin hij als klein jongetje mee mag rijden met de bibliothecaresse omdat hij 20 kilo aan boeken had geleend voor zijn vader. In Baboesjka van Gerrit Komrij gaat het over een verzamelaar van ansichtkaarten van bibliotheken. Hij heeft er meer dan 20.000, er staat geen enkel boek op de kaarten, alleen gebouwen van over de hele wereld.
Voor boekliefhebbers en niet in de laatste plaats voor bibliotheekliefhebbers is het een leuke toevoeging aan hun verzameling.

15 april 2009

Moord & doodslag

Doeschka Meijsing & Geerten Meijsing, Moord & doodslag, Querido / De Arbeiderspers, 2005

De strijd om ergens de beste in te worden is genadeloos. Of het nu voetbal, advocatuur of literatuur is - wie de absolute top wil bereiken, moet over lijken gaan. Hoe gruwelijk is het dan als zich onder de tegenstanders een broer of zus bevindt. De concurrent is niet zomaar een verre collega met wie je geen medelijden hoeft te hebben. De concurrent is een nauwe bloedverwant voor wie je instinctief liefde voelt. In plaats van te bestrijden wil je hem of haar in bescherming nemen.
Ook Doeschka en Geerten Meijsing, anno 2005 de beroemdste familie in de Nederlandstalige literatuur, worstelen al hun hele schrijversleven met de broederstrijd. Sinds hun entree in de letteren dertig jaar geleden koesteren ze een moeizame haat-liefderelatie. Ze spraken elkaar soms jaren niet. Geerten emigreerde al vroeg naar Italië omdat hij in Amsterdam de hete adem van zijn oudere zus in zijn nek voelde. Als ze elkaar al schreven, ging het nooit over het gezamenlijke vak.
Zelden hebben broer en zus een goed woord over voor elkaars geschriften, die zijn geschreven vanuit een fundamenteel andere poëtica. Geerten heeft zijn eigen leven tot inzet van zijn werk gemaakt en hanteert een tot in de puntjes verzorgde stijl. Doeschka schrijft enigszins traditionele romans waarin ze elke keer op voorbeeldige wijze steeds een ander thema uitwerkt. Met name de eerste laat zich in iedere roman opnieuw laatdunkend uit over het proza van zijn zus.
Doeschka op haar beurt zag het als verraad dat haar drie jaar jongere broertje ook ging schrijven, zo vertelt ze in haar deel van de dubbelroman Moord & Doodslag. Vijf maanden nadat zij haar eerste boek in handen hield - ‘het grootste orgasme ter wereld’ - werd opeens de eersteling van haar broer gepresenteerd. ‘Hoe had ik kunnen vermoeden dat hij schrijver wilde worden, met zijn zeekaarten en zijn sextant en zijn saxofoon?’ vraagt ze zich wanhopig af.
Toen Moord & doodslag verscheen, was Geerten Meijsing altijd de meest succesvolle van de twee. Geertens (1950) romantisch-decadente pose vond vanaf de Erwin-trilogie, dat hij schreef onder het pseudoniem Joyce & Co, vooral bij critici veel weerklank. Toen hij later onder zijn eigen naam begon te publiceren, won hij de AKO-Literatuurprijs (met zijn zus in de jury!) voor Veranderlijk en wisselvallig. Tussen mes en keel, het verslag van zijn depressies en zelfmoordpogingen, leverde hem in 1999 de Gouden Uil op.
Maar ook Doeschka (1947) heeft het nooit ontbroken aan lovende woorden. Robinson uit 1976 raakte in Nederland een gevoelige snaar bij veel middelbare scholieren. Zij herkenden zich in de onzekerheid en het isolement van de 17-jarige hoofdpersoon. Bredere erkenning kreeg Doeschka met haar laatste twee romans. Zowel De tweede man (2000) als het autobiografische kleinood 100% Chemie (2002) werden genomineerd voor de grote literaire prijzen.
Moord & Doodslag is geen duoboek van het soort Nicci French. Moord & Doodslag bevat eerder twee romans in één band over hetzelfde thema van de broederliefde. Tot een nauwere samenwerking konden en wilden beiden, die aan hun onderling verschillende werkwijze en poëtica wilden vasthouden, niet komen. Zelfs een doorlopende nummering bleek een stap te ver. Bij Geerten’s deel van het boek begint de telling weer bij bladzijde één.
Een verzoeningsboek is Moord & Doodslag dan ook niet geworden. Doeschka en Geerten schetsen een genadeloos scherp portret van elkaar. Een opgewonden, soms kleinzielige dandy waar alleen maar - steeds hetzelfde - geraas en gebral uitkomt, vindt Doeschka hem. Een grillige dilettant met een te grote behoefte aan erkenning, vindt hij andersom. Zelfs als ze elkaar de intelligentste van de familie noemen, klinkt het als een belediging.
De vergelijking met Kaïn en Abel, die Doeschka maakt, ligt voor de hand. Ook dat Doeschka zich verwant voelt met de archetypische broedermoordenaar Kaïn, is logisch. Zij voelt al jaloezie op het melkspuwende monster als Geerten pas geboren is. Vanaf het begin voelt ze zich verstoten door vooral haar moeder en wil ze zich wreken op oogappel Geerten die niets verkeerds kan doen. Zelfs als zíj een voetklem in de duinen vindt, kan hij ongestraft het recht op de vondst claimen.
De twee delen van Moord & Doodslag worden bij elkaar gehouden door het bezoek dat Doeschka brengt aan Geerten in Syracuse, Sicilië. De aanleiding is de hoed die hij in Amsterdam heeft besteld en zij hem komt brengen, zo beschrijven beiden. Daar aangekomen besluit ze ter plekke een roman te schrijven over hem en zijn obsessie voor een moord in Cogne van een moeder op haar jongste zoon. Als tegenwicht schrijft Geerten een roman om zijn visie op hun verhouding te geven.
Nadat beiden hun gal over elkaar hebben gespuwd, treden aan het eind van het bezoek plots de gevoelens van affectie, die ze altijd onderdrukt lijken te hebben, voor het eerst op de voorgrond. Als een dagenlange stortbui op Syracuse neer plenst, verruilt Doeschka haar hotelkamer voor het piepkleine appartementje van haar broer dat hij haar genereus aanbiedt. Enkele dagen hebben ze het zowaar gezellig. Zolang zij zich aan zijn regels houdt kunnen ze prima leven en werken.
Of niet? In Geerten’s versie verliepen de gebeurtenissen anders. Doeschka sliep niet in een hotel, maar had zelf een appartementje gehuurd. Niet de regen was de aanleiding voor de logeerpartij, maar zijn angst dat zijn zus door zou slaan. Nadat de geliefde met wie Doeschka naar Sicilië was gereisd, haar had verlaten, lonkten drank en antidepressiva al te zeer. En van werken kwam het daarna niet meer. Doeschka tetterde aan één stuk door de oren van zijn kop.
Juist dit literaire spel is het mooie aan Moord & Doodslag. Doeschka en Geerten spreken elkaar meer dan eens tegen. Beleven zij door hun verwrongen kijk op de gebeurtenissen hetzelfde soms op een totaal andere manier? Of halen ze misschien in grote harmonie een grap met hun lezers uit, die door alle tegenspraak gaat twijfelen aan het waaheidsgehalte van het ogenschijnlijk zeer autobiografische boek? Geeft Moord & Doodslag de getroebleerde verstandsverhouding eerlijk weer of scheppen ze er alleen maar behagen in om de mythe in stand te houden?
Broer en zus hebben immers ook veel met elkaar gemeen, beseffen beiden. Niet zelden denken ze vol genegenheid en liefde aan elkaars successen en teleurstellingen. Allebei zijn ze schrijver geworden, maar ook is hun beider liefdesleven mislukt en worden broer en zus evenzeer gepijnigd door depressies en zelfmoordneigingen. Die ingrijpende emoties scheppen een band die dieper gaat en inniger is dan de gemiddelde broer-zus-verhouding.
De puzzel die zo ontstaat, maakt Moord & Doodslag tot een intrigerend boek dat meer is dan de som der delen. Sterker nog: Zonder de andere helft zouden beide boeken waarschijnlijk tegenvallen. De manier waarop de zus de Kaïn en Abel-mythe behandelt, is voorspelbaar en te gewild literair. En het hoogstpersoonlijke universum waaraan broer elk boek vormgeeft, wordt ditmaal hinderlijk onderbroken door de eindeloze pagina’s die hij besteedt aan de moordzaak in Cogne.

Maarten Dessing

6 april 2009

Op een dag als deze

Peter Stamm, Op een dag als deze, Van Gennep, 2006.

Wat moet je over een boek zeggen waarvan je de verhaallijn zwak vindt, hoewel het gegeven weer mooi is, maar waarvan de karakterschets van de hoofdpersoon juist goed uit de verf komt en de beschrijving van zijn gemoedstoestand zeer treffend is? Was dat ook het geval geweest wanneer het personage, Andreas, een leraar Duits in Parijs die zijn leven plotesling een heel andere kant op stuurt, in een andere context was geplaatst? En hangt zijn gemoedstoestand niet sterk af van de verhaallijn, wat hij doet, waar hij heengaat, waarom en met wie? Het is moeilijk te zeggen. Andreas is wie hij is door zijn verleden, zijn onzekere bestaan, de vele en verschillende liefdes die hij heeft en heeft gehad (en die ik dus de mindere episodes vind uit het verhaal).
Het is voor het eerst dat ik zo'n tweeledig gevoel heb over een boek. Het is niet dat het redelijk saaie en eentonige leven van Andreas het verhaal naar beneden haalt, zo'n setting kan juist uitermate goed en indringend weergegeven worden. Het is meer dat de zinnen, kort en met weinig metaforen of mooie beschrijvingen, goed passen bij de 'hij', maar niet bij de wereld waar hij in rondloopt. Die wordt wat vlak, weinig inspirerend. Maar goed, misschien had de titel me kunnen waarschuwen, Op een dag als deze, dat kan van alles zijn natuurlijk.
 
Arjen van Meijgaard

27 maart 2009

Het boek van de liefde. De geschiedenis van de Kamasoetra

James McConnachie, Het boek van de liefde. De geschiedenis van de Kamasoetra, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008

Wat zou mooier zijn dan een recensie van een boek over de geschiedenis van de Kamasoetra te beginnen met een paar spannende passages? Het fragment bijvoorbeeld waarin de auteur Vatsyayana uitlegt hoe de ‘staakspietsing’ werkt: de vrouw moet tijdens de penetratie een van haar benen atletisch boven haar hoofd heffen en het andere gestrekt houden. ‘Kan alleen met oefening uitgevoerd worden’, waarschuwt de auteur.
Helaas. Niets zou de Kamasoetra minder recht doen, schrijft James McConnachie in zijn fascinerende geschiedenis Het boek van de liefde. Het handboek uit het antieke India is niet de verzameling standjes waartoe het Westen het boek tegenwoordig heeft gereduceerd. Zeker: Vatsyayana beschrijft enkele manieren om de liefde te bedrijven. Maar dat is onderdeel van een veel bredere verhandeling over het genot ofwel de kama: op een subtiele, deskundige en volledige manier plezier beleven aan de verleiding, de omgang met het andere geslacht en de daad zelf.
Vatsyayana heeft daarom ook uitgebreid aandacht voor de filosofische en spirituele betekenis van kama, hoe belangrijk het voor een man is om het zweet onder zijn oksels te verwijderen en de vierenzestig vaardigheden van de ganika’s (courtisanes). Daartoe rekende hij onder meer het testen van goud en zilver, koken en het laten zingen van glazen door met een vinger over de natte rand te wrijven.
Toch hoeft de Westerling zich niet te schamen als hij de Kamasoetra gelijk stelt aan o la la. Omdat seksualiteit in het Westen volledig uit de openbaarheid was gebannen, sprak juist dat aspect het meest tot de verbeelding toen Richard Burton en Foster Fitzgerald Arbuthnot de Kamasoetra in 1883 voor het eerst in een Engelse vertaling uitbrachten. Wie in de negentiende eeuw alleen al suggereerde dat anticonceptie misschien een goed middel was tegen overbevolking, kon tien jaar cel krijgen. Hoe zinnenprikkelend is dan een boek waarin openlijk wordt geschreven over hoe vrouwen ‘de mango’ moeten zuigen?

Maarten Dessing

18 maart 2009

Nachtlicht

Albert Sánchez Piñol, Nachtlicht, Cossee, 2005.

Soms vergis je je in een boek. Het begint goed, handelt over een ver eiland, een onderzoeker die daar voor een jaar gestationeerd wordt en je verwacht het wel en wee van deze man te lezen. De bootreis erheen is boeiend, de landing ook, er is zelfs een onbehouwen vuurtorenwachter op het het eiland, dat mijlen ver van de bewoonden wereld verwijderd ligt. Het belooft een intrigerend verhaal te worden: twee onbekenden voor een jaar aan elkaar overgeleverd aan het einde van de wereld. Wat hebben ze aan elkaar, wat moeten ze met elkaar?
Maar dan neemt het verhaal een vreemde wending, het begint op fantasy te lijken. Ik houd van fictie, maar het moet wel voorstelbaar zijn, ik moet mezelf in het verhaal kunnen plaatsen, er deel aan nemen terwijl ik lees, omdat het deel zou kunnen uitmaken van mijn wereld. Tot zover gaat mijn fantasie, daarbuiten gaat het me tegenstaan.
Toch las ik het boek uit. Het viel mee, uiteindelijk, de eerdere belofte wordt zelfs ingewilligd: de mannen worden door de omstandigheden naar elkaar toe gedreven, van vijanden worden het lotgenoten. Beetje bij beetje werd ik meegesleept en wilde ik doorlezen. Misschien dat er in een verre uithoek van mijn fantasie een luikje openging waardoor ik in een andere wereld terechtkwam en die leerde accepteren. Gelukkig bleek ik me dus een tweede maal te vergissen.
 
Arjen van Meijgaard

8 maart 2009

De scherprechter van Korfoe

Tim Krabbé, De scherprechter van Korfoe, 1989 (4e druk, Black Olive Press, 2009)

Een van de mooiste bijverschijnselen van het schrijven van het Boekenweekgeschenk moet zijn dat je hele oeuvre opnieuw wordt uitgebracht. Dit jaar liggen de belangrijke romans van Tim Krabbé in een nieuwe, uniforme vormgeving van Tessa van der Waals op een prominente plek bij elkaar in de boekhandel. Ook kleinere uitgaven krijgen een nieuw leven: van het wielerverhaal De scherprechter van Korfoe verscheen bij Black Olive Press een nieuwe druk.
De tekst van De scherprechter van Korfoe is niet meer dan een mooi kort verhaal dat op klassieke wijze naar een pointe leidt – en waarover ik dus niets kan zeggen. Vooral als je van sportverhalen houdt, is het de moeite waard: Krabbé laat goed de eerzucht van een renner zien, ook als hij al lang geleden is gestopt met fietsen. Maar de fraaie vormgeving en tekeningen van Joost Swarte maken de uitgave tot een mooi hebbeding. Voor slechts vijf euro.

Maarten Dessing

2 maart 2009

De verloofde van Sado

Amélie Nothomb, De verloofde van Sado, Manteau, 2008.

De Belgische Amélie Nothomb is opgegroeid in Japan en komt nu als twintigjarige weer terug om bij een groot bedrijf te gaan werken. Via een advertentie om Franse les te geven, ontmoet ze de Rinri, met wie de lessen al snel overgaan in een relatie. Hij, een rijke student Frans, neemt Amélie in zijn witte Mercedes overal mee naar toe. Ze maken uitstapjes, beklimmen de Fuji en verblijven samen een aantal keer in zijn ouderlijk huis. Amélie wil niets liever dan deel uit maken van die maatschappij en laat zich leiden door Rinri. Alles lijkt goed te gaan totdat hij haar ten huwelijk vraagt. Ze gaat akkoord met een verloving, maar deze Belgische krijgt het in Japan Spaans benauwd en weet niet of ze in moet stemmen met een bruiloft.
Het jaar dat Nothomb beschrijft is de aanloop naar haar schrijversschap. In dat opzicht is het al een interessant boek, maar ook de beschrijving van de Japanse cultuur en de humoristische inkijk in een relatie tussen twee uiteenlopende nationaliteiten maken het verhaal zondermeer tot een vermakelijke autobiografische roman.

Arjen van Meijgaard

22 februari 2009

Twee vrouwen en meer

Marita Mathijsen, Twee vrouwen en meer, De Bezige Bij, 2008

Na Twee vrouwen van Harry Mulisch las ik ook Twee vrouwen en meer: een inleiding in het werk van Harry Mulisch in het algemeen en het actieboek van Nederland Leest vorig jaar in het bijzonder. Daarin ontrafelt Marita Mathijsen, hoogleraar Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam in het algemeen en kenner van Mulisch’ oeuvre in het bijzonder, alle verwijzingen, allusies en associaties in Twee vrouwen.
Mathijsen legt bijvoorbeeld uit dat de geografische uitersten in het roman samen een kruis vormen: Petten (Noord-Holland), Londen, Nice en Sint-Petersburg. In het as van het kruis – Amsterdam – vindt het drama plaats.
Knap gevonden. Maar wat moet je ermee? Gedurende het hele boek kon ik me niet aan de gedachte onttrekken dat het boek bestaat uit louter onzin en flauwekul. Het is heel mooi als je alle verwijzingen naar de Orpheus-mythe kunt opsporen, de betekenis van de kleur wit kunt duiden en een Freudiaanse link kunt leggen tussen Laura’s relatie met haar vader en onvrucht gebleven huwelijk met Alfred. Die kennis maakt de roman rijker, maar het geeft voor mij geen antwoord op de vraag waar Twee vrouwen over gáát.
Sterker: op die vraag lijkt Mathijsen in het geheel geen antwoord te geven. Hoogstens kun je uit haar analyses afleiden dat Mulisch met deze roman een nieuwe, eigentijdse versie van antieke mythen wil geven, zoals ik zelf ook beweerde in mijn bespreking. Maar waarom dat relevant is? In 1975, toen Twee vrouwen oorspronkelijk verscheen? En nu? En wat zegt de roman over de psychologie van de mens of de condition humaine? Mathijsen gaat er niet op in.
Twee vrouwen, kan ik niet anders concluderen, verhoudt zich boven alles tot de kunst en niet tot de werkelijkheid. En ik hou waarschijnlijk vooral van boeken die zich tot de werkelijkheid verhouden.

Maarten Dessing

16 februari 2009

Naar de rand van de kaart

Gerrit Jan Zwier, Naar de rand van de kaart, Atlas, 2008.

Uithoeken van de wereld zijn intrigerend, of je er nu vanuit je luie stoel via een boek of een televisieprogramma mee in aanraking komt of als reiziger en kennis te nemen van een desolaat eiland of en te ervaren hoe het leven daar is. Maar er blijkt een kleine groep mensen die weliswaar de meest onherbergzame plekken wil bezoeken, maar alleen maar om te kunnen zeggen dat ze er geweest is. Een paar minuten met beide benen op Bouvet of Zuid-Georgië in de Atlantische Oceaan is meer dan voldoende. Flora en fauna, de ontdekkingsgeschiedenis, het wel en wee van eventuele wetenschappers of andere tijdelijke bewoners interesseert hen niet. Het gaat hier om de leden van de TCC (Traverler's Century Club). Ze hebben de wereld opgedeeld in 12 gebieden met in het totaal 315 noemenswaardige plekken om aan te doen. Noord-Amerika telt er slechts 6 en Europa 67. Er zijn bewerkelijke gebieden bij zoals Polynesië en bijna onbereikbare plekken zoals eilandjes in de buurt van de Zuidpool.
Als Gerrit Jan Zwier een boottocht maakt van Ushuaia in Patagonië via onder andere de Falklandeilanden, Zuid-Georgië, Bouvet en Tristan da Cunha naar uiteindelijk Kaapverdië, zit hij opgescheept met enkele leden van dit illustere gezelschap. Ze hebben geld genoeg en steken elkaar voortdurend de loef af over wat ze al bezocht hebben.
Zwier gaat het gelukkig om andere dingen, hij wisselt een boeiend reisverslag af met wetenswaardigheden over de ontdekking van de eilanden, de dieren die er voorkomen of de eventuele bewoners. Hij wil doordringen tot deze afgelegen plekken en ze beleven in plaats van een nummertje af te strepen op een lijst. Maar de TCC-ers zorgen voor een vaak humoristisch en tegelijkertijd triest contrast, ze benadrukken het einde van de ontdekkingsreizen en het idee dat er geen onbereikbare plaatsen meer zijn op aarde. Met geld kun je overal komen. En reisverslagen zullen ze niet lezen, het is immers een bewijs dat een ander hen al voor is geweest, en dat je ook vanuit je luie stoel voor nog geen twintig euro de hele wereld rondvaart.
 
Arjen van Meijgaard

9 februari 2009

Dinsdag de 27ste september

Christa Wolf, Dinsdag de 27ste september en andere verhalen, Van Gennep, 1981

Hoeveel mensen kunnen zeggen dat ze een boek in de kast hebben staan dat is getiteld naar hun verjaardag? Toen ik onlangs in de special van De Boekenwereld las dat Uitgeverij Van Gennep ooit een bundel verhalen van de prominente Oost-Duitse schrijfster Christa Wolf had samengesteld onder de titel Dinsdag de 27ste september, heb ik dat dezelfde dag nog gekocht op Antiqbook.
‘Dinsdag de 27ste september’, oorspronkelijk in het Duits verschenen in 1960, blijkt te gaan over zomaar een dag uit het leven van de schrijfster. Ze treft voorbereidingen voor de verjaardag van haar 4-jarige dochter Tinka, praat met haar man G. over Lenin en Gorki, bezoekt een vergadering op een fabriek – waar twintig jaar na de ineenstorting van de communistische heilstaat geen touw meer aan vast te knopen is – en ‘s avonds, nadat zij en G. naar Dvorak hebben geluisterd, zoekt ze vruchteloos naar de woorden voor een verhaal waaraan ze werkt.
‘Voor het inslapen’, besluit ze dan, ‘denk ik dat uit dagen als deze het leven bestaat. Punten die tenslotte, als je geluk gehad hebt, door een lijn worden verbonden. Dat ze ook uit elkaar kunnen vallen tot een zinloze opeenhoping van vergane tijd, dat alleen een constante, vastberaden inspanning de kleine tijdeenheden waarin wij leven zin geeft...’
Grappig om een verhaal over het zinloos verstrijken van de tijd, dag na dag, te associëren met je eigen verjaardag. Je verjaardag wordt geacht een bijzondere dag te zijn. En zelfs als je je daaraan probeert te ontrekken, wat ik hardnekkig volhoud, is het een van de weinige dagen waarvan je aan het eind van het jaar nog goed herinnert wat je toen hebt gedaan. Voor mij kan ‘de 27ste september’ nooit ‘zomaar een dag uit mijn leven’ zijn.

Maarten Dessing