Laatste reacties

Auteurs

web-log.nl, powered by TypePad

2 februari 2010

Parijs 25/44

Dick Matena, Parijs 25/44, Atlas, 2008

 

Het grote voordeel van een geschreven verhaal is dat je je fantasie de vrije loop kunt laten. Met de aanwijzingen van de schrijver vorm je je een beeld van de personages, hun gezichtsuitdrukkingen, de omgeving. Ik weet zeker dat wanneer je vijf mensen aan de hand van hezelfde boek een schets laat maken van de hoofdpersoon, je vijf verschillende personen krijgt. Een verhaal in stripvorm mist die dimensie. De gezichten zijn al geschetst, de omgeving ook. Maar dan zijn er plotseling de plaatjes zonder tekst. Als lezer word je de andere kant opgeduwd. In je hoofd vertel je het verhaal verder, met je eigen woorden. Als je nu dezelfde vijf mensen bij een plaatje zonder tekst midden in de strip woorden laat verzinnen, krijg je vijf verschillende tekstblokjes. De fantasie wordt dus nog steeds geprikkeld, en juist omdat dat op een andere manier gebeurt dan je gewend bent, werkt het uitstekend. Ik moest me er echter wel toe dwingen niet te snel over de plaatjes heen te kijken en stil te staan bij wat wordt afgebeeld.

Parijs herleeft onder de pen van Matena. In de donkere eerste helft van de vorige eeuw komen Sarte en Hemmingway en een aantal andere schrijvers en kunstenaars elkaar tegen en ze bekommeren zich om het noodlottige leven van ene Eva, de vroegere gouvernante van Sartre. Het is een triest verhaal dat juist tot z'n recht kom door de tekeningen in zwartwit en de close-ups van bezorgde of ongure gezichten.

Dit verhaal heeft Matena niet hertekend, maar is voor de strip verzonnen. Een tektseditie daarvan lijkt me geen goed idee, dan gaat er teveel verloren en blijft er waarschijnlijk een te dun verhaaltje over. Maar wie weet, waagt een schrijver zich er ooit nog aan, net als Matena zich waagde aan De avonden, en wordt het een schitterende novelle.

Arjen van Meijgaard

28 januari 2010

De vanger in het koren

J.D. Salinger, De vanger in het koren, De Bezige Bij, Meulenhoff, 1983 (5e druk)

J.D. Salinger is dood, las ik net. Stiekem kon ik daar niet alleen bedroefd om zijn. Nu kunnen immers de werken die hij de afgelopen decennia heeft geschreven postuum worden gepubliceerd. Vriendinnen die de openbaarheid zochten toen de relatie voorbij was, zeiden steeds dat hij was blijven schrijven.
Ook ik was als tiener geraakt door de wanhoop, vertwijfeling en dadendrang van Holden Caulfield die zijn identiteit en zijn plek in de wereld zoekt. Juist als tiener: toen ik nog niet begreep dat zo veel mensen op die leeftijd verlangen naar het echte, het hogere en het ware, was het alsof Salinger de unieke stem van Holden alleen maar voor mij had laten klinken.
Een cliché, ik weet het. Iedereen met een zwak voor Salinger heeft hetzelfde gevoel gehad. En iedereen die over De vanger in het koren schreef - of De vanger in het graan zoals The Catcher in the Rye nu heet - , tekende hetzelfde op. Maar daarom is het nog niet minder waar.
Ik was zo geraakt dat ik alles van Salinger las. Veel was het natuurlijk niet. En lang zo goed niet ook - hoe briljant het raadselachtige verhaal A Perfect Day for Bananafish ook is.
Ik was zo geraakt dat ik een biografie-achtig boek van Ian Hamilton las. Veel meer dan dat Salinger een kluizenaar was die ook met Ian Hamilton geen enkel contact wilde hebben, kan ik me er niet van herinneren.
Ik was zo geraakt dat ik De vanger in het koren een paar keer heb herlezen. Iedere keer was ik weer geroerd. Al was het maar om de herinnering aan de intense emotie die ik had toen ik het boek voor de eerste keer las. Een intense emotie die ik maar bij weinig boeken heb gevoeld.
Ik was zo geraakt dat ik nog steeds alles van hem zou willen lezen dat de komende jaren op de markt wordt gebracht.
De vraag is alleen: Zou Salinger vast hebben laten leggen dat zijn nagelaten werk pas over vijftig jaar mag worden uitgegeven? Of zou hij hebben gevraagd het te vernietigen?
Ik hoop het laatste. In dat geval zal zijn executeur-testamentair het toch niet over zijn hart kunnen krijgen dat doen? Zoals Max Brod het werk van Franz Kafka niet aan de vlammen heeft prijs gegeven. En dan staat geen enkel juridisch bezwaar in de weg om het nagelaten werk onmiddellijk te publiceren.

Maarten Dessing

18 januari 2010

Suikerspin

Erik Vlaminck, Suikerspin, De Wereldbibliotheek, 2008

Kan een forain ooit afscheid nemen van het kermisleven? Arthur van Hooylandt niet. De oude man heeft geen nagel om z’n kont te krabben. Zijn vrouw is er vandoor – dat ‘crupuleus serpent, zoals alle wijven’. Een overval op zijn eigen draaimolen, uitgevoerd om de verzekering te tillen, is op een mislukking uitgedraaid. Nu piekert hij over een snoepkraam. Hij kan toch niet ergens op z’n gat gaan zitten wachten tot zijn tijd gekomen is?
Het enige wat Arthur van Hooylandt in leven houdt, schrijft Erik Vlaminck in zijn Suikerspin, is zijn clangevoel. De trots op het kermisbestaan. Zijn grootvader reisde al sinds 1896 langs de Vlaamse dorpen en steden met ‘fenomenen’: een zeemonster (in werkelijkheid zijn geestelijk gehandicapt broer), een vrouw met een baard, de Siamese tweeling Joséphine en Anastasia.
Maar ook die trots is misplaatst, ontdekt Vlaminck in de archieven. Het leven van de eerste Van Hooylandt is een en al ellende en miserie. In armoe geboren en door zijn vader verkocht aan een forain die een hulpje kon gebruiken. Hij koelt op iedereen, zijn ‘fenomenen’ in de eerste plaats, de woede die hem verteert. Hij kan het lot niet verdragen dat hem dit leven zonder geluk heeft gegeven.
Zo is Suikerspin, geschreven met veel gevoel voor het treffende detail, veel tegelijk. Het roept de kermiswereld op in een tijd dat alleen de kermis een keer per jaar vermaak bood. Het schetst een schijnend beeld van het leven dat ‘fenomenen’ vroeger leidden. Het geeft een autenthieke stem aan een outcast als Arthur van Hooylandt. Het is een intrigerend onderzoek naar zijn ware afkomst. Het is een sociaal drama en thriller alleen.
In alle opzichten overtuigt Vlaminck. Hij bindt de verschillende lijntjes strak aan elkaar en weet zijn personages werkelijk tot leven te roepen. Alleen wie allergisch is voor sappig Vlaams zal niet van Suikerspin genieten.

Maarten Dessing

12 januari 2010

Rooksignalen

Ineke Holtwijk, Rooksignalen, Eldorado reizen, 2009.

Waar maken we ons druk om? Benzineprijzen, zwerfvuil op straat, meer en meer onvrede over een leven dat aan alle kanten is ingedekt door verzekeringen, koopsompolissen en pensioenen? Maar wat als er ineens niet meer mensen over zijn van je vrienden en familieleden dan twee of drie gezinsleden met wie je moet proberen je in leven te houden? Je woonomgeving wordt continue bedreigd door onbekenden die het op jouw leefomgeving gemunt hebben. Ze moorden er zelfs voor. Het liefst zien ze je van de aardbodem verdwijnen, net zoals gebeurd is met je familieleden in de afgelopen decennia. Het lijkt iets uit een sf-film, in de verre toekomst, wanneer aliens bijvoorbeeld onze wereld torpederen en over willen nemen. Maar het gebeurt aan de andere kant van de aardbol, in het Amazonewoud. Kleine indianenvolken, inderdaad som groter dan groepen van 4 of 5 personen, werden en worden bedreigd door grootgrondbezitters die uit zijn op houtkap of grond voor de sojateelt. Ze worden verdreven uit hun bos, waar zij en hun voorouders altijd gewoond hebben, of waar ze heen gevlucht zijn omdat hun habitat al verwoest is.
Ineke Holtwijk beschrijft het wel en wee van een aantal kleine indianengroepen en hun contact met de blanken en de daaropvolgende assimilatie. Constant vraagt ze zich af wat goed is voor deze mensen. Als ze bekend zijn, kunnen ze beschermd worden (zodra er bewezen is dat er indianen in een stuk bos van een grootgrondbezitter leven, wordt hij onteigend. Een reden voor deze rijke heren om zich zo snel mogelijk van de indianen en hun sporen te ontdoen), maar als ze eenmaal in contact treden met de geciviliseerde wereld, is hun afgezonderde bestaan ook ten einde. Geen contact leggen dus?
Daarnaast kunnen de ontwikkelingen ook gezien worden in het licht van de evolutie van de mens en de wereld. Het is nu eenmaal niet anders, voor mensen uit de prehistorie is geen plaats. Maar dat is moeilijk in te zien als je weet dat deze mensen op dit moment het einde van hun tijd naderen.
Een spannend en somber boek dat een boeiende inkijk geeft in de laatste overlevenden van een eeuwenlange traditie.

Arjen van Meijgaard

6 januari 2010

De gezusters Van Vloten

Cornelie van Uuden en Pieter Stokvis: De gezusters Van Vloten, Bert Bakker, 2007

In het ouderlijk huis van de zusjes Martha, Betsy en Kitty van Vloten waren de jonge Tachtigers en hun vrienden vaak te gast. De ‘clubzusters’ sloegen allen een beroemde schrijver of schilder aan de haak en maakten Frederik van Eeden, Albert Verwey en Willem Witsen zwagers van elkaar.
Het moet voor hun vader, de schrijver Johannes van Vloten, zijn geweest alsof een droom uitkwam. Hij had zijn dochters een voor die tijd uitzonderlijk vrije en intellectuele opvoeding gegeven. Met zulke artistieke, creatieve echtgenoten zouden zij zichzelf moeten kunnen blijven ontwikkelen.
Helaas. De huwelijken van Martha en Betsy liepen uit op een treurige mislukking. Martha had de affaires van Frederik van Eeden jarenlang geaccepteerd, maar toen hij haar erfenis had vergooid, was de maat vol. De excentrieke Betsy was radicaler: zodra ze hoorde van de verhouding van Willem Witsen, zette ze een streep door het gedroomde ‘kameraadschappelijk huwelijk’.
Alleen Kitty bleef haar man tot het eind trouw. Zij maakte zich dan ook volledig gedienstig aan zijn kunstenaarschap. Ieder feministisch zaadje dat haar vader in haar opvoedig had geplant, liet ze verdorren.
Tot voor kort konden de levens van de zusje Van Vloten alleen worden nagelezen in de biografieën van hun echtgenotes. Dankzij Cornelie van Uuden en Pieter Stokvis hebben ze de eigen levensbeschrijving gekregen die ze verdienen.
Het dor geschreven, anekdotische maar toch boeiende boek laat zich lezen als de mislukking van een feministische droom. Vader Johannes kon nog zo graag willen dat zijn dochters gelijkwaardig waren aan mannen, hun echtgenoten hechten te sterk aan de moraal en gewoontes van hun tijd.

Maarten Dessing

28 december 2009

Bekentenissen

Jean-Jacques Rousseau, Bekentenissen, (vertaling Leo van Maris, 3e druk, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008)

‘Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.’
Alleen omdat het genre van de autobiografie nog zo weinig beoefend was toen hij dit schreef, kon Rousseau zo naïef zijn in de eerste alinea van zijn Bekentenissen. Wie heeft er ooit een autobiografie gelezen en toen het gevoel gehad dat hij de auteur werkelijk heeft leren kennen?
Hetzelfde geldt voor een biografie. Over Adolf Hitler, Jan Hanlo, Rembrandt van Rijn – om er een paar te noemen – heb ik honderden, soms duizenden bladzijden gelezen, maar het enige wat ik te weten ben gekomen zijn feiten.
Ook Rousseau is voor mij een raadsel gebleven. Ik wil aannemen dat hij zich niet mooier heeft voorgedaan dan hij dacht dat hij was. Maar zijn tijd is de mijne niet, zijn land de mijne niet, zijn normen en waarden de mijne niet. Hoe kan ik dan zijn gedragingen op waarde schatten?
Neem de liefde van zijn leven Thérèse Levasseur. Hij beschrijft uitgebreid hoe gelukkig ze hem maakt. En dan vervolgt hij: ze kan geen klokkijken, ze kan de maanden van het jaar niet in de goede volgorde zetten en ze kan geen geld tellen. En met haar domme uitspraken krijgt hij de lachers op de hand in de salons waar hij vertoeft.
Rousseau schrijft bijzonder helder en elegant - een genot om te lezen. Het is ongetwijfeld eerlijk - daarvoor is het tegenwoordig nog te schokkend. Maar hoe kan iemand deze emoties ooit navoelen? De mengeling van oprechte liefde en een even oprechte minachting vergroot het raadsel Rousseau in plaats van het op te lossen.

Maarten Dessing

14 december 2009

De Francyclopedie

Stefan de Vries, De Francyclopedie, Bluebeard Publications, 2009.

Een leuke vondst: een encyclopedie over het land waar de encyclopedie bijna is uitgevonden en die dan Francyclopedie noemen. Stefan de Vries, kunsthistoricus en journalist en al jaren woonachtig in Frankrijk, heeft feiten, wetenswaardigheden en anekdotes verzameld over Frankrijk. Beroemde politici, schrijvers, chansonniers en filosofen passeren de revue en architectonisch hoogstandjes, gerechten en wijnen komen ruimschoots aan bod. Maar ook zaken als de guillotine en minitel (een voorloper van internet).
Een handig boekje om je kennis op te frissen, iets na te zoeken of om ideeën gebracht te worden, zoals het lijstje met de tien Franse films die je gezien moet hebben.
Voor echte francofielen zou het bekende kost kunnen lijken, hoewel, zouden die weten dat de croissant oorspronkelijk uit Wenen afkomstig is en gemaakt werd om een overwinning op de Turken te vieren die de stad aanvielen in 1683? De bakkers uit de stad kozen voor een broodje dat de wassende maan moest voorstellen, als verwijzing naar de Turkse vlag. Marie-Antoinette introduceerde het broodje in 1770 in Frankrijk.
Borrelpraat of leuk om te weten? Ik kies voor het laatste.

Arjen van Meijgaard

9 december 2009

Tegen het einde

Joris Note, Tegen het einde, De Bezige Bij, 2009

Tegen het einde van Joris Note is geen boek voor iedereen. Het is een intelligente, met verwijzingen naar Robespierre en Plato doorspekte mengeling van een met Multatuliaans vuur geschreven tirade tegen taalmisbruik, politici (vooral liberale) en de oprukkende cultuurloosheid, en een pleidooi voor de liefde die de energie geeft om je, in woord en daad, in te zetten voor een alternatief. Daar moet je van houden. Daar moet je aan gewonnen kunnen geven.
Maar wie zich over kan geven aan de stem van gepensioneerd leraar Maurice Loterman, zal van hem gaan houden. Hij is wat je noemt een man uit één stuk: fel, woedend, het hart op de juiste plaats, daarom ook een tikkeltje bitter, maar authentiek – vooral authentiek. Net als zijn naamgenoot Maurice Maillot, de hoofdpersoon van Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers, is hij volstrekt eigengereid. Niet uit principe, maar omdat hij niet anders kan: hij kan alleen leven zoals hij wil leven. De eenzaamheid die daaruit voortvloeit, neemt hij voor lief.
Oppervlakkig beschouwd doet Loterman in Tegen het einde niets dan kankeren. Tegen het einde van de cultuur. Tegen het einde van het leven. Tegen het einde van een carrière die hem vooral desillusies heeft opgeleverd. Maar het plot is subtieler. Loterman laat ook zien dat juist de liefde hem de kracht geeft om overal tegen te blijven – om zich te blijven verzetten tegen de middelmaat en de gemakzucht. Dat blijkt aan het einde: zonder de onwaarschijnlijke liefde van een ex-leerling zou hij deze tirade nooit hebben kunnen afsteken.

Maarten Dessing

4 december 2009

De witte tijger

Aravind Adiga, De witte tijger (vertaling Arjaan van Nimwegen), De Bezige Bij, 2008

Zou ik de kwaliteit van dit boek herkennen als ik dit had gelezen toen het net uitkwam? Toen De witte tijger alleen nog maar een debuutroman was. Toen het nog geen juichende recensies had ontvangen, niet de Bookerprize had gewonnen en geen bestseller was geworden.
Ik denk het wel. Ik zou dat niet van ieder boek willen beweren, maar De witte tijger is zo goed dat ik me niet kan voorstellen dat er mensen zijn die de kwaliteiten ervan niet onmiddellijk herkennen.
Het verhaal van de kasteloze chauffeur Balram Halwai die zijn baas vermoord om zelf ondernemer te kunnen worden, heeft de perfecte mix van komedie en tragedie. Het verhaal maakt je boos, windt je op, doet je lachen, zet je aan het nadeken, stemt misselijkmakend – het verhaal doet alles met je.
Het leed van armoedzaaiers als Balram in het corrupte India is schrijnend. Als de echtgenoot van zijn baas iemand doodrijdt, wordt hij gedwongen een schuldbekentenis te tekenen. En elke keer als hij denkt dat zijn baas menselijker is dan die van andere chauffeurs, wordt hij teleurgesteld.
Maar Adiga schreef geen aanklacht. De toon die Balram aanslaat is licht en monter. Hij toont zich realistisch: zo gaat het hier nu eenmaal. Alleen als je zo opportunistisch durft te zijn als hij, kun je slagen. En Balram is geslaagd.

Maarten Dessing

24 november 2009

De vampier van Ropraz

Jacques Chessex, De vampier van Ropraz, Voltaire, 2008.

Een schrijver die tijdens een optreden voor publiek, nota bene op het moment dat hij een lastige vraag over een collega-schrijver moet beantwoorden, onwel wordt en overlijdt aan een hartaanval, lijkt iets voor een roman. Maar het overkwam Chessex afgelopen oktober, de vraag ging over de zaak-Roman-Polanski, zo wordt beweerd. Nooit zullen we echter weten of deze vraag zo'n schrikreactie teweegbracht dat hij hem fataal werd. Zou het iets zijn voor een roman van Chessex zelf? Ik denk het niet, tenminste, gebaseerd op de twee boeken die ik van hem gelezen heb. Daarin gaat het over historische figuren, nevelige en groene Zwitserse Alpen en ondoorgrondelijke en in zichzelf gekeerde dorpsgemeenschappen.
In De Vampier van Ropraz wordt eerst uitvoerig een aantal gruwelijkheden beschreven, jonge meisjeslichamen die na begraven te zijn weer worden opgegraven en worden verkracht en deels worden opgegeten. Zo onstaat het verhaal over de vampier. De uiteindelijke schuldige wordt gevolgd, zelfs terug in de tijd, hoe het zover heeft kunnen komen. Maar ook later, vele jaren later zelfs. Tot op de dag van vandaag, terwijl het verhaal zich toch afspeelt in 1903. Het einde is onverwacht, maar had van mij nog wat uitgesteld mogen worden. Niettemin een knappe novelle die het verleden en heden bij elkaar brengt. Zeer spijtig dat er nu niets meer zal verschijnen van Chessex.
Stel nu dat het verleden van Polanski niet was opgerakeld of dat hij nooit gedaan had waar hij van beschuldigd wordt. Wie weet had Chessex nog meer moois kunnen schrijven. Fictie over een toevallige dood van een auteur tijdens een lezing ergens in een mistig dorp in de Alpen.

Arjen van Meijgaard

23 november 2009

Opnieuw actueel: Komt een vrouw bij de dokter

Wat krijgen sommige nieuwe films toch veel media-aandacht. Is het iemand ontgaan? Vanaf 26 november in de bioscoop: Komt een vrouw bij de dokter, naar het boek van Kluun. Zo wordt het een hit, dat kan niet anders. Zie hier.

20 november 2009

Schrijversduo's

Schrijversduo’s: Bosma & Vogelaar, Rotthier & O’Hanlon, Van der Lee & Groenendijk

Het is geen nieuwe fenomeen: boeken geschreven door twee auteurs die lezen alsof ze door één vaste hand zijn geschreven. En daarom onder één naam worden gepubliceerd. Denk aan de pseudoniemen Elvis Peeters, Jan Tetteroo en – in de thrillerwereld – Escober.
Het komt ook voor dat een duo samen een boek schrijft en beider namen op het omslag zet. Gek genoeg zijn juist die boeken geschreven door één van de twee. De andere naam staat erbij om het boek te verkopen.
Een voorbeeld is Rudi Rotthier en Redmond O’Hanlon, die over God, Darwin en natuur publiceerden (Atlas, 2009). Alle details suggereren dat de twee reisschrijvers samen een boek hebben geschreven. Zelfs het copyright delen ze. In werkelijkheid beschrijft Rotthier hoe hij tien dagen optrok met zijn veel beroemdere Britse collega, die hem de plaatsen van belang uit zijn leven liet zien.
Nog een voorbeeld: Twintig maanden knettergek van Ella Vogelaar en Onno Bosma (Balans, 2008). Het boek beschrijft Vogelaars periode als minister, maar het is in feite een dagboek van haar levensgezel die, zelf gepensioneerd, haar doen en laten op de voet volgt. Vogelaar heeft alleen, met haar rode pen, het manuscript gefatsoeneerd en een enkel te intiem detail geschrapt.
Iets anders ligt het bij Geheimen van de Maasai van Ton van der Lee en Jandries Groenendijk (Balans, 2008). De eerste schreef het verslag van een reis naar de binnenlanden van Kenia, de tweede schoot de bijgevoegde dvd. Maar vooral: door zijn kennis van de Maasai zorgde hij ervoor dat Van der Lee in deze wereld werd opgenomen. Zijn naam op het omslag is zo ook een dank je wel.
Een auteur verzinnen als marketingstunt vind ik misleiding. Een auteur verzinnen om hem te bedanken vind ik sympathiek.

Maarten Dessing

5 november 2009

Perzisch vuur

Tom Holland, Perzisch vuur, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007

Het populariseren van de geschiedenis is moeilijker dan het lijkt. Kijk naar recente Hollywood-films over de klassieke oudheid. Alexander, 300 of Troy. Regisseurs misvormen de mythische verhalen om hedendaagse drama’s te tonen en schromen niet hun helden te tooien met anachronistische maliënkolders omdat die er zo goed uit zien. Op papier zijn populaire bewerkingen niet anders – niet zelden wordt de historische werkelijkheid geweld aangedaan.
Tom Holland kan het wel. In Perzisch vuur vertelt hij het bekende verhaal van de Perzische inval in Griekenland in de jaren 480 voor Christus. Te lang, was Hollands motivatie, had het grote publiek niet meer kunnen lezen over de verassende Atheense overwinning bij Marathon, de geniale strategie van Themistocles in de Slag bij Salamis, of de Slag bij Thermopylae, waar driehonderd Spartanen dagenlang standhielden tegen het miljoenenleger van Xerxes.
De jonge Britse historicus gebruikt iedere literaire truck om zijn verhaal aantrekkelijk te maken. Moderne woorden: taskforce, Realpolitiek, hype of pre-emptive strike. Overdrijvingen: ‘een van de meest doorslaggevende beslissingen in de krijgsgeschiedenis’. En een uiterst zintuigelijk stijl. Je hoort de geluiden van het slagveld, ziet de mist optrekken en voelt de zenuwen van een hopliet die optrekt richting de Perzische overmacht.
Vooral de verslagen van veldslagen lezen alsof de schrijver er zelf bij was. ‘Honderd meter, vijftig, tien, en toen, terwijl de Atheense strijdkreet, een bloedstollend gehuil dat zelfs boven het gestamp van hun voeten op de dorre aarde, de kakofonie van kletterend metaal en de paniekkreten van de vijand uitklonk, knarste de falanx in de Perzische linie. De klap was vernietigend.’
Ook pretendeert Holland dat het 2500 jaar oude verhaal actueler is dan ooit – en dus relevant. Volgens hem is de strijd tussen het Perzische wereldrijk en de coalitie van Griekse steden de eerste confrontatie in het nog altijd brandende conflict tussen Oost en West. Aan de ene kant de uitvinders van de heilige oorlog en een dictatoriaal regiem waaronder een multi-etnische samenleving in vrede kon leven. Aan de andere kant de uitvinders van democratie en vrijheid die zij alleen aan eigen burgers konden geven om de samenleving werkbaar te houden.
Bij veel schrijvers ontaarden een stijl en aanpak als die van Holland in speculatieve geschiedenis waar je op z’n best je schouders over ophaalt, maar die je vaker ergert. Bij Holland nooit. Nooit gaat hij over de grens. Altijd blijf je erop vertrouwen dat hij zijn beschrijvingen en uitspraken baseert op de wetenschappelijke literatuur die hij drie jaar lang intensief heeft bestudeerd. Dat maakt Perzisch vuur literaire non-fictie op zijn best.

Maarten Dessing

28 oktober 2009

Oeroeg

Hella Haasse, Oeroeg, CPNB, 2009

Voor de eindexamenlijst is er altijd een rijtje boeken dat populair is onder vrijwel alle leerlingen en in ieder geval onder de wat luiere lezers. Nu kan je vanuit je luie stoel talloze leesverslagen en samenvattingen raadplegen, maar 17 jaar geleden was er nog geen internet en kostte het soms meer moeite om naar de bibliotheek te gaan en een uittreksel te zoeken dan de 90 of 100 bladzijden te lezen van bijvoorbeeld Het bittere kruid, De ronde van ‘43 of Oeroeg. De reden dat iedereen die boeken koos, was voor mij genoeg om dat juist niet te doen. Onzin natuurlijk, want stuk voor stuk zullen het boeiende literaire werkjes zijn. Ze hadden alleen last van de verkeerde vorm van populariteit. Net als Für Elise, een schitterend stuk, maar dood gedraaid en dood gespeeld in warenhuizen, op muziekdoosjes of door mensen die maar één stukje op de piano kunnen. Een beetje zoals de aardappeleters op een mok of een stropdas.

Nu Oeroeg het boek is van de actie Nederland leest, krijgt het ongetwijfeld de aandacht die het verdient. Al vraag ik me af of al die mensen die het vroeger op hun lijst hadden staan, het nog een keer op zullen pakken. Maar misschien geeft wederom de dikte van het boek de doorslag om het juist wel te doen. Ik zal het deze keer in ieder geval gaan lezen.
   
Arjen van Meijgaard

20 oktober 2009

De dienstbode

Isabel Marie, De dienstbode, Aristos, 1996

Wat is dat toch met boeken waarin de 'ik' aan het eind meedeelt een boek te gaan schrijven over wat hij of zij heeft meegemaakt. En dat is dan natuurlijk het boek dat de lezer in handen heeft. Ik voel me altijd een beetje bekocht. Alsof dat de enige reden is om het te schrijven en op die manier het cirkeltje rond te maken. Soms ook eindigt een verhaal alleen met de vraag:  'En als ik hier nu eens een boek over schreef?' Dan weet je natuurlijk al genoeg. Maar vaak staat het er expliciet.
Zo ook in De dienstbode van Isabel Marie. Sarah, net klaar met haar studie Filosofie, wil iets heel anders in haar leven en reageert op een advertentie waarin een diensmeisje gevraagd wordt. Ze wordt aangenomen bij een afstandelijk echtpaar. De vrouw en de man leven hun eigen leven, zij komt de deur niet uit en is alleen maar bezig met het schoonhouden van haar lichaam. Hij, een zakenman, is altijd op pad en alleen 's nachts hebben ze contact, tijdens de liefdesdaad zonder liefde. Langzaam neemt Sarah de regie in handen en sluit met beide echtlieden een pact waardoor ze voor beiden onmisbaar wordt. Mooi thema, alleen halverwege het verhaal begint Sarah haar eigen verhaal te schrijven, een afgeleide van wat de lezer op dat moment leest. En langzaam ontstaat er een boek. Aan het einde is het manuscript af, ze stuurt het op en krijgt direct, uiteraard tegen haar verwachting in, een contract bij een uitgever.
Het is een beetje het Droste-effect met een verhaal in een verhaal. Leuk om te zien, maar of het de smaak van de cacao ten goede komt, is de vraag. Op de een of andere manier komt het op mij te makkelijk over. Maar misschien is het ontzettend lastig om zoiets te bedenken. Of is het waargebeurde fictie, en dan is er weinig aan te doen.
 
Arjen van Meijgaard

15 oktober 2009

De kunst van het schrijven

Kees ‘t Hart, De kunst van het schrijven, Querido, 2007

Wie braaf alle tips uit schrijfboeken navolgt, schrijft nooit een roman die de AKO Literatuurprijs kan winnen. Gebruik actieve zinnen, creëer een geloofwaardig conflict, schrijf beeldend, schep markante personages, hou dialogen levendig, show don’t tell, enzovoort. Het zijn de basisregels voor vakmanschap. De AKO-jury eist meer, de AKO-jury eist meesterschap.
De beste schrijfboeken zijn daarom de schrijfboeken die daar op wijzen. Arie Storm toonde in De X-Files van de literatuur aan de hand van het werk van A.F.Th. van der Heijden al overtuigend aan dat de beste schrijvers de regels op het juiste moment overtreden. Kees ‘t Hart redeneert in De kunst van het schrijven dat alle schrijfboeken steeds dezelfde algemene tips geven. Zo onderstrepen ze alleen maar de conventie en geven ze nooit instructies hoe je een meesterwerk kunt schrijven.
Hoe schrijf je dan een meesterwerk? In zijn boek analyseert Kees ‘t Hart, samen met de auteur, zes romans van respectievelijk Hella Haasse, A.F.Th. van der Heijden, Tom Lanoye, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom en K. Schippers. Door simpelweg te laten zien waarin de boeken verschillen wil hij blootleggen waarin de kwaliteit schuilt. In plaats van schrijftips te geven, wat ‘t Hart pertinent niet doet, wil hij aankomende schrijvers zo inspireren.
In zijn uitmuntend slotbetoog legt hij uit hoe hij dat bedoelt. Meesterschap is geen kwestie van een mysterieuze gave, schrijft hij, maar van ontzettend veel lezen en schrijven en zo greep krijgen op moeilijke vragen als: wanneer is een scène te lang? Of: wat is een geloofwaardig personage? ‘Een talentvolle schrijver’, aldus ‘t Hart, ‘is iemand die niet erg lang hoeft te oefenen.’

Maarten Dessing

11 oktober 2009

Een jaar op een onbewoond eiland

Bob Snoijink, Een jaar op een onbewoond eiland, Bzztôh, 1990.
 
Bob Snoijink kreeg in 1987 de vraag van de redactie van het blad waar hij voor werkte als freelance journalist of hij een jaar op een onbewoond eiland in de Stille Oceaan wilde verblijven en daar een verslag van wilde maken. Hij twijfelde geen moment en vertrok met zijn vriendin naar Ata, een van de eilanden van de Fiji-archipel. Er moest het een en ander geregeld worden bij de lokale autoriteiten, maar eenmaal aangekomen op het stuk land met een oppervlakte van vijftig voetbalvelden, begon het avontuur. Lokale vissers kwamen vooral in het begin naar de nieuwe bewoners kijken en het eiland bleek eigendom van een rijke Amerikaan die een enkele keer vrienden langs stuurde om er een paar dagen te verblijven, maar los daarvan hadden Bob en zijn vriendin Chris alleen elkaar, de kippen en een hond om mee te praten. De eerste maanden waren zwaar en ook tussen Bob en Chris liep het niet soepel, geen valse romantiek dus. Maar langzaam keerde het tij en uiteindelijk werd het voor hen een paradijselijke ervaring, niet zozeer door de witte stranden, de palmbomen en het aangename klimaat, maar vooral doordat zij afgeloten waren van de bewoonde wereld en niets 'moesten' in de zin van buitenaf opgelegde verplichtingen. Het enige moeten bestond uit een stevig onderkomen bouwen, iedere dag (en nacht) bij eb de vissen uit het uitgezette net halen, groente verbouwen en schoon drinkwater verzamelen.  
Los van de vraag of het in 2009 nog mogelijk is om een stille en afgelegen plek te vinden, zal menigeen niet direct zijn biezen pakken om zich zo af te zonderen en slechts te leven van wat de natuur aanbiedt. Maar ik heb gemerkt dat het van tijd tot tijd lezen van een avontuur als dit genoeg is om sluimerdende Robinson Crusoe-gevoelens de bevredigen. Zie ook Ons leven op walviseiland.
 
Arjen van Meijgaard

4 oktober 2009

Een goede man slaat soms zijn vrouw

Joris Luyendijk, Een goede man slaat soms zijn vrouw, Podium (elfde druk, 2008)

Hoe zou ik dit boek hebben gelezen als ik dat had gedaan vlak nadat het in 1997 was verschenen? Van een hysterische obsessie met de islam was nog geen sprake, Nederland was er nog trots op een verlicht, tolerant land te zijn. Ik zou hebben gedacht: vreemde mensen, die Egyptenaren, wat een rare denkbeelden houden ze erop na. En ik zou een volgend boek hebben gepakt.
Elf jaar later voedt Een goede man slaat soms zijn vrouw mijn somberheid over het vastgelopen debat tussen Oost en West. Deze conclusie dringt het boek op: decennia van dictatuur en propaganda hebben een bevolking overtuigd van een Westerse samenzwering tegen Egypte - onder leiding van de Joden verdelgen we de samenleving met homoseksualiteit, aids en vrouwenrechten. Ze haten het Westen.
Een goede man slaat soms zijn vrouw is daarmee een boek geworden dat munitie levert aan Wilders c.s. die ervoor ijveren om hun volgelingen net zo haatdragend, gefrustreerd en blind te maken als de Egyptenaren, een cultuur van haat te creëren, en zo Westerse waarden als respect en tolerantie vernietigen. Zie je wel, lees Luyendijk - hoewel de figuren in zijn boek geen van allen agressief zijn en hun overtuigingen nooit zullen omzetten in terreurdaden
De auteur is zelf bewust van deze paradigmawisseling in onze blik op het Midden-Oosten. In een nawoord bij de zevende druk zegt hij dat nu interessanter is om een boek te maken over de overeenkomsten tussen Egyptische en Nederlandse jongeren – een boek dat je na lezing van Een goede man slaat soms zijn vrouw wel degelijk kunt voorstellen. Ondanks hun denkbeelden zijn de meeste Egyptenaren die Luyendijk ontmoet sympathiek.
Het is spijtig dat zo’n goede en intelligente schrijver als hij zijn belangstelling heeft verlegd en dat boek zelf niet maakt. Aan zo’n boek is dringend behoefte.

Maarten Dessing

30 september 2009

De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita

João Ubaldo Ribeiro, De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita (vertaling: Harry Lemmens), De Bezige Bij, 2005

De inwoners van het Braziliaanse eiland Itaparica, zo schrijft João Ubaldo Ribeiro in De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita, staan de hele dag bloot aan radioactiviteit. Het is daarom dat zij zo bezeten zijn van lust. ‘Zelfs de devootste paters en zusters ontsnappen er niet aan, zoals iedereen hier zich kan herinneren, van pater Amadeu met zijn vier liefjes tot zuster Cecilia van de junioren van FC São Lorenço.’
Radioactiviteit als verklaring voor wellust? Het oordeel ligt voor de hand: Ubaldo Ribeiro is een magisch-realistisch auteur uit de klassieke Zuid-Amerikaanse traditie. Daarmee doe je de Braziliaanse auteur tekort. Hij mengt in deze met veel zwier geschreven novelle het bovennatuurlijke met een dikke laag ironie.
In Itaparica wonen mannen als hoofdpersoon Deoquinha Jegue Ruço – stoere machos met één in het oog lopende kwaliteit. Extreme vruchtbaarheid. Hij is in het gezin ‘het hoofd, de ruggengraat, de fundering, de hefboom en het commando’. Vrouwen als Deoquinha’s echtgenote Benedita besteden hun tijd aan kleren verstellen, kinderen opvoeden, naar de kerk gaan en vooral: hun man plezieren.
Ogenschijnlijk is in deze samenleving de vrouw een dociele slaaf van haar man. Als Deoquinha één van zijn buitenechtelijke kinderen moet echten en opnemen in zijn gezin, zodat hij kan worden toegelaten tot het seminarie, stemt Benedita vrijwel meteen toe. Sterker nog: de kans een kind aan God te kunnen geven, wil ze niet laten ontglippen.
Maar waarom is Benedita werkelijk zo grootmoedig? Dat hier verklappen zou veel van het plezier van De ongelukkige maar grootmoedige liefde van Benedita weghalen. Leuker is het om de novelle over het radioactieve eiland zelf te lezen.

Maarten Dessing

16 september 2009

De druiven der gramschap

John Steinbeck, De druiven der gramschap, Van Holkema & Warendorf, 3e druk, 1947

Al zeventig jaar is De druiven der gramschap de verbeelding van de grootste crisis van de twintigste eeuw. Denk aan de instortende aandeelkoersen in 1929, de grote droogte in de jaren erna, de massawerkloosheid, de sociale maatregelen van president Franklin D. Roosevelt. Haal je de zwart-wit foto’s van armoedzaaiers, getekend door honger en wanhoop, voor de geest. En denk aan de klassieker van John Steinbeck.
Direct na verschijning in 1939 sloeg De druiven der gramschap aan. De roman gold weliswaar als links of zelfs communistisch – ook toen al scheldwoorden in de Verenigde Staten –, John Steinbeck kreeg er de Pulitzer Prize voor, een van de belangrijkste literaire prijzen van Amerika, en nog hetzelfde jaar draaide John Ford een verfilming met Henry Fonda als Tom Joad. In een paar maanden gingen een bijna half miljoen exemplaren over de toonbank.
Het verhaal, dat steeds wordt onderbroken door lyrische beschrijvingen van het landschap dat de stemming van de personages reflecteert, vertelt de ondergang van de familie Joad. De failliete pachters uit Oklahoma proberen in Californië een nieuwe toekomst op te bouwen als fruitplukkers. Maar omdat zo veel families over de Route 66 naar het Westen zijn getrokken, werkt iedereen voor weinig geld. Als de Joads, blij met een baantje, stakingsbrekers blijken te zijn, raken ze betrokken bij een vechtpartij. Tom Joad dood een man en moet vluchten. En de familie valt uit elkaar.
Maar het is niet de bodemloze tragiek die De druiven der gramschap zo beroemd heeft gemaakt. Steinbeck beschrijft geen willoze, krachteloze slachtoffers, maar mensen die – geslagen en gebroken – diep van binnen een kracht hebben behouden om te overleven en ons daarom in de grootste recessie sinds The Great Depression nog altijd kunnen inspireren. Niet voor niets verwijst de Bijbelse titel naar een actieve emotie: gramschap, ofwel toorn, zet aan tot verzet.
Dat gevoel nooit op te geven, vindt zijn hoogtepunt in twee scènes. Als Tom Joad moet vluchten zegt hij tegen zijn moeder dat hij altijd bij haar is. ‘Waar ergens gevochten wordt, omdat hongerige mensen moeten eten, daar ben ik bij. Overal waar de politie een mens ranselt, daar ben ik bij. [Ik zal] hoorbaar zijn in de manier waarop mensen schreeuwen als ze woedend zijn en – en in de manier waarop kinderen lachen als ze honger hebben en weten dat het avondeten klaar is.’
En even later, als het kind van Roos doodgeboren wordt, laat zij de melk in haar borst niet opdrogen, maar legt zij in een tochtige schuur een uitgehongerde stervende man aan.
De toespraak van Tom Joad is legendarisch geworden. Woody Guthrie zong zijn woorden integraal in de protestsong Tom Joad (1940). Bruce Springsteen deed het hem na in The Ghost of Tom Joad (1995). En het karakter leent zijn naam aan meerdere organisaties die strijden voor rechtvaardigheid en solidariteit. Het edelmoedig gebaar van Roos is daarentegen weggemoffeld. Te schokkend voor het preutse Amerika.

Maarten Dessing

9 september 2009

Zoals dat gaat met wonderen

Arthur Japin, Zoals dat gaat met wonderen, Arbeiderspers, 2008

Op reis in Zuid-Afrika, meer dan vijf jaar geleden, krijgt Arthur Japin het idee voor een zelfhulpboek ‘over hoe je de werkelijkheid kunt manipuleren met de fantasie’. Een boek ‘om negativiteit om te zetten in zijn tegendeel’. Hij is zo enthousiast dat hij gelijk aantekeningen begint te maken. Een paar dagen bekoelt zijn enthousiasme. Jean-Jacques Rousseau bleek hetzelfde plan te hebben gekoesterd.
Toch heeft Japin het idee uitgevoerd. Zoals dat gaat met wonderen, een keuze uit zijn dagboeken van de jaren 2000-2007, is het boek dat hem voor ogen moet hebben gestaan.
Zoals dat gaat met wonderen beslaat de periode tussen zijn eerste ontmoeting met Ben en de eerste keer dat een krant schreef dat hij met Ben en Lex een ménage à trois vormt. Het is een ratjetoe aan notities, anekdotes, observaties, herinneringen, belevenissen, ontmoetingen en bespiegelingen. Maar in ieder fragment is de rode draad terug te vinden: Japins programma van liefde en mededogen.
Als een criticus zijn roman neersabelt, beschrijft Japin hoe hij hem op het Boekenbal drie keer op de wang kust en zegt dat hij van hem houdt. Als hij in de tram een ontgroening meemaakt, neemt hij het op voor de feut. Als een collega voor de doodstraf pleit, legt hij uit waarom vergeving zo veel troostrijker is dan wraak. En zo gaat het maand in, maand uit door.
Af en toe geeft de schrijver even concreet als in ieder ander zelfhulpboek tips om een goed en gelukkig leven te leiden. Wie star vasthoudt aan principes, schrijft hij, kwetst zijn medemens en raakt zelf gekwetst. Of: alles kun je op meerdere manieren interpreteren, zien en ervaren.
Sommigen vinden Japins consequente pleidooi voor positiviteit misschien zijig. Of dat hij zichzelf te veel herhaalt. Op mij mist het zijn uitwerking niet. Hoe langer ik in zijn dagboeken las, hoe meer liefde ik voelde voor deze planeet en iedere ziel die er op leeft. Dat was een heerlijk gevoel.

Maarten Dessing

29 augustus 2009

Een bed tussen de boeken

Jeremy Mercer,  Een bed tussen de boeken, Atlas, 2009

Waarom worden sommige boeken pas na vier jaar vertaald? Omdat het minder urgent is het boek te vertalen of omdat het toch wel goed blijkt te lopen en men er in het buitenland ook interesse voor begint te krijgen?
Ik ben in ieder geval blij dat Time was Soft There van Jemery Mercer in het Nederlands verschenen is, want tot nu toe was het mij niet opgevallen, ook al verscheen het in 2005.
De schrijver, een misdaadverslaggever uit Canada, raakt verzeild in de beroemde boekwinkel Shakespeare and Company in Parijs, waar hij onderdak krijgt en zelfs nauw bevriend raakt met de eigenzinnize eigenaar George Whitman.
Sylvia Beach was voor WOII een gelijknamige boekwinkel begonnen die een belangrijke ontmoetingsplek werd voor schrijvers als Hemingway en Joyce. Ze gaf zelfs Ulysses uit.
In de jaren vijftig opent George Whitman op de linker oever van de Seine een boekwinkel en antiquariaat met hetzelfde principe. Op het moment dat de Jeremy Mercer er zijn intrek neemt, in 2000, hebben al meer dan 40.000 mensen één of meer nachten op een van de bedden tussen de boeken overnacht. Veelal berooide en ontheemde schrijvers die een handje helpen in de winkel. Mercer schrijft boeiend over zijn vreemde huisgenoten en het leven in de boekwinkel, die de gemiddelde Parijsgangers wel een keer gepasseerd is of bezocht heeft. De winkel staat tenslotte in iedere reisgids. Maar nu is er dan ook een heel boek over verschenen én vertaald.
      
Arjen van Meijgaard

10 augustus 2009

Eten met Emma

Herman Koch, Eten met Emma, Meulenhoff, 2000

Een plotloos boek, daar is wat voor te zeggen. Maar dan moet de stijl intrigerend zijn, met een meeslepende woordenstroom, knappe taalvondsten en misschien toch een paar subplots. Dat laatste had Eten met Emma wel, al waren ze niet uitgewerkt. De nieuwsgierigheid naar wie Emma is wordt in het begin goed uiteengezet, net als de relatie van de 'ik' met zijn vader, en die van de de vader met Emma. Maar al gauw zijn de verbanden duidelijk en heeft ieder personage zijn of haar plek ingenomen. Ik bleef hopen op een ontwikkeling, niet zozeer aangespoord door het verhaal maar toch op z'n minst omdat ik het vermoeden bezit dat alles ergens toe leidt. Was daarom de teleurstelling groot toen er niets gebeurde? Niet bijzonder, het was te verwachten geweest. En dat is misschien wel weer knap, dat de schrijver nergens iets pretendeert wat hij niet waarmaakt. Wel kwalijk is misschien dat ik tegen het einde begon door te krijgen dat ik het al eens gelezen had. Vaag. Maar is dat de schuld van de schrijver? Of ligt het aan mijn matige geheugen? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik niet snel weer iets van Koch zal lezen, omdat de nasmaak wat bitter is van Eten met Emma. Of zou Het diner daar iets aan kunnen veranderen?
 
Arjen van Meijgaard

27 juli 2009

De laatste expeditie van Stanley

Daniel Liebowitz & Charles Pearson: De laatste expeditie van Stanley. Een waanzinnige tocht door Congo, Mets & Schilt

Wat smulden de Europeanen in de negentiende eeuw van de reisverslagen van de grote ontdekkingsreizigers in dat verre, verre Afrika. Mungo Park, David Livingstone, Henry Stanley. Ieder nieuw avontuur was een bestseller. De beschrijvingen van barre tochten door het donkere continent bevredigden de zucht naar spannende verhalen en heroïsche lotgevallen.
Eigenlijk is De laatste expeditie van Stanley ook zo’n boek. Een heerlijk jongensboek. De Amerikanen Daniel Liebowitz en Charles Pearson beschrijven de tocht die Stanley in de jaren 1887-1890 dwars door Midden-Afrika ondernam om de gouverneur van Equatoria te bevrijden (in het huidige Soedan), boven alles als een spannend verhaal. De gifpijltjes van de inboorlingen. De tropische ziektes. De halfduisternis van het woud. De onderlinge ruzies.
Er is één belangrijk verschil: honderdtwintig jaar na dato heeft de zoete heroïek en bulderende pathos plaats gemaakt voor de waarheid – en die is zelden liefelijk. De alom geroemde Stanley kan zich niet beter voordoen dan hij is. De misschien wel grootste ontdekkingsreiziger van allemaal blijkt een kleinzielige schoft die geen enkel middel schuwde om zijn zin door te drijven.

Maarten Dessing

6 juli 2009

Parijs de verborgen geschiedenis

Andrew Hussey, Parijs de verborgen geschiedenis, De Arbeiderspers, 2007

Een schitterend overzichtswerk van de lichtstad. Hussey begint bij de Parisii, de eerste bewoners van de eilanden in de Seine en eindigt bij het Parijs van Houellebecq en de wereldbeker van 1998. Hoeren, dieven, bedelaars, opportunisten, kunstenaars en intellectuelen hebben de stad gevormd, ook al leefden zij vaak aan de donkere kant van het bestaan. Kleine en grote revoluties zijn er uitgevochten, koningen gekroond en weer vermoord. De stad is al die eeuwen in beweging geweest en verandert nog steeds. Oneindige veel namen van historische figuren en even zovele jaartallen worden afgewisseld met interessante en smakelijke anekdotes. Het boek is opgedeeld in negen delen, de eerste beslaan eeuwen, de laatste slechts decennia, en die delen zijn weer onderverdeeld in hoofdstukken met elk een eigen historisch thema. Handig: aan de hand van een register kunnen straten en namen van personen eenvoudig opgezocht worden. Misschien wat zwaar om de hele dag mee rond te lopen als je in Parijs bent, maar het is het een must voor iedere Parijsliefhebber.
Dit is eerder een ‘andere geschiedenis’ van Parijs dan een antigeschiedenis, zoals de flaptekst vermeldt.
 
Arjen van Meijgaard

25 juni 2009

Opnieuw actueel: Boris Vian

Als hij nog had geleefd, was hij 89 jaar oud. Nu herdenkt Frankrijk deze maand dat Boris Vian vijftig jaar dood is. Zie hier en hier.

9 juni 2009

Le canapé rouge

Michèle Lesbre, Le canapé rouge, Sabine Wespieser Éditeur, 2007
 
Anne vertrekt met de Transsiberië-express naar een dorpje in de buurt van Irkoutsk om Gyl, haar vroegere geliefde, te zoeken. Tijdens de reis observeert ze haar medereizigers en laat zich afleiden door het landschap, ze denkt aan haar voorbije liefde en aan Clemènce, haar oude buurvrouw in Parijs aan wie ze regelmatige verhalen voorlas. De oude vrouw zat dan op een rode bank waartussen ze de foto van Paul verstopt had, haar oude vlam die in de oorlog omgekomen is. Op die manier worden de verhalen van deze vrouwen verweven: beiden verlangen terug naar wat voorbij is, ieder op hun eigen manier. Vindt Anne haar Gyl? Is hij waar ze denkt dat hij is? Is hij nog alleen?

Bij thuiskomst in Parijs blijk de oude buurvrouw ook op zoek te zijn gegaan naar haar geliefde. Zo komen de verhalen van beide vrouwen weer samen, op een brug, boven het stromende water van de Seine.

Dat is vaak het mooie van goede romans, je kunt er zoveel symboliek in vinden als je wilt (treinreis, rode canapé, Seine, foto's), maar evengoed genieten van het verhaal zelf. Ik had het in het Frans gelezen, het verwondert me niet dat het inmiddels is vertaald. In 2008 verscheen het boek bij Ailantus onder de titel De rode canapé.

   

Arjen van Meijgaard

25 mei 2009

Verhalen van liefde, waanzin en dood

Horacio Quiroga, Verhalen van liefde, waanzin en dood, Coppens&Frenks Uitgevers, 1995.

Liefde, waanzin en dood zijn thema's van alle tijden. Dan maakt het niet uit of ze verhalen dienen die honderd jaar geleden geschreven zijn en zich in de jungle van Zuid-Amerika afspelen. Zoals de man die per ongeluk, terwijl hij onder het hek van zijn plantage doorkruipt, op zijn machete valt en voelt dat hij gaat sterven omdat het mes diep in zijn buik steekt. Of de jongen die overmoedig en net in de jungle zich te ver van het dorp waagt en ten ten prooi valt aan de marcheerders, alles verwoestende mieren. Niet voor niets is dood het laatste woord in de titel, want na liefde en waanzin volgt in Quiroga's verhalen onherroepelijk de dood. Soms verdiend, soms als een noodlottig toeval. En hoe bizar in enkele gevallen het ook mag lijken, gezien het landschap en het tijdperk, toch geloofwaardig.
Volgens de nawoord van Maarten Steenmeijer, die ook de vertaling verzorgde, was het de dood volop aanwezig in het leven van Horacio Quiroga, waardoor het niet vreemd is dat dat thema hem aangreep en inspireerde. Aan het einde van zijn leven trok hij zich terug en leefde eenzaam in het oerwoud in een wat achtergebleven province van Argentinië. En zo vond ik ook zijn verhalen: in een klein antiquariaat, weggestopt in een verre kast, maar daardoor juist des te aantrekkelijker. Mede door de mooie uitgave van Coppens&Frenks, dat moet gezegd.

Arjen van Meijgaard

15 mei 2009

De tegenstander

Emmanuel Carrère, De tegenstander, De Arbeiderspers, 2001
 
De hoofdpersoon van dit boek is bekend, of kan ik beter zeggen: was zeer bekend. Hij heeft zelfs een vermelding in Wikipedia en er is een film gemaakt over zijn leven, maar niet in positieve zin. Het gaat om Jean-Claude Romand, de man die in 1993 zijn vrouw en kinderen vermoordt en vervolgens zijn ouders, daarna een overdosis pillen inneemt en zijn huis in brand steekt. Met als doel te ontkomen aan de ontluisterende ontknoping van zijn jaren lange leugen waar hij iedereen in liet geloven.
Voor de buitenwereld had hij een belangrijke functie bij de WHO, maar in werkelijkheid hing hij rond op parkeerplaatsen en in hotels. Hij bood aan geld te belegen (het ging om enkele honderdduizenden francs) voor zijn familie en schoonfamilie en kon het daar al die tijd mee uitzingen. Tot het op was en er bovendien langzaam barstjes kwamen in zijn gefingeerde bestaan. Hij overleefde de brand die hij zelf had aangestoken en er werd een uitgebreid proces tegen hem gevoerd met als uitkomst: levenslang.
Emmanuel Carrère was gefascineerd door dit dubbelleven en wilde er een boek over schrijven. Hij nam contact op met Jean-Claude en vroeg om toestemming, die hij kreeg. Hij verdiepte zich vervolgens grondig in zijn hoofdpersoon, sprak met vrienden van Jean-Claude, woonde het proces bij en bezocht hem naderhand in de gevangenis. Hij reed zelfs naar de parkeerplaatsen waar Jean-Claude zijn dagen sleet. Om inzicht te krijgen in het waarom en te ontdekken waar het was misgegaan. Hoewel hij ver kwam, lukte het Carrère niet om het te begrijpen. Romand had leugen op leugen gestapeld en bij ieder verhaal, in de rechtbank of via brieven, drong zich steeds de vraag op: is het waar wat hij vertelt? Een leugenaar die zo gelooft in zijn eigen leugens, liegt niet meer, maar leeft in een andere werkelijkheid.
Als alles goed gaat, komt hij 2015 vrij. Het is de vraag of hij dan beseft wat er is gebeurd en weet met welk leven hij verder moet.

Arjen van Meijgaard

7 mei 2009

Het laatste verhaal van Miguel Torres da Silva

Thomas Vogel, Het laatste verhaal van Miguel Torres da Silva, De Arbeiderspers, 2002.

Hoeveel konijnenpaartjes worden er in één generatie geworpen, aangenomen dat elk konijnenpaar één konijnenpaar in de volgende en één in de daarop volgende generatie voortbrengt en dan door de boer en boerin wordt opgegeten?
Het laatste verhaal van Miguel Torres da Silva speelt in de 18e eeuw in Coimbra en vertelt het verhaal van de kleinzoon van een beroemde verhalenverteller die tijdens het vertellen van een verhaal overleed. Dat was dus zijn laatste verhaal. De kleinzoon, gefascineerd door getallen, gaat te voet vanuit zijn dorp naar Coimbra om daar wiskunde te gaan studeren bij een beroemde professor met wie hij vriendschap sluit. Tegelijk probeert hij de verhalen van zijn grootvader op te schrijven en vooral het laatste verhaal af te maken. Allemaal aardige ingrediënten van een aardig boek. Aardig om een beetje ingewijd te worden in de wereld van de getallen, aardig om te lezen over het 18e eeuwse Coimbra (maar misschien alleen omdat ik er stage heb gelopen), aardig om te zien hoe de schrijver fictie en werkelijkheid vermengt. Helaas, meer is het niet. Het kan nog zijn dat de stijl buitengewoon was en er veel daarvan verloren is gegaan bij het vertalen, maar dat kan ik me niet voorstellen.
Maar het is goed dat ik het gelezen heb. Ik weet in ieder geval de oplossing van de eerste vraag: 1-1-2-5-8-13-21-34-55-89-enz. Je weet nooit waar het goed voor is.
   
Arjen van Meijgaard