Laatste reacties

Auteurs

web-log.nl, powered by TypePad

18 januari 2010

Suikerspin

Erik Vlaminck, Suikerspin, De Wereldbibliotheek, 2008

Kan een forain ooit afscheid nemen van het kermisleven? Arthur van Hooylandt niet. De oude man heeft geen nagel om z’n kont te krabben. Zijn vrouw is er vandoor – dat ‘crupuleus serpent, zoals alle wijven’. Een overval op zijn eigen draaimolen, uitgevoerd om de verzekering te tillen, is op een mislukking uitgedraaid. Nu piekert hij over een snoepkraam. Hij kan toch niet ergens op z’n gat gaan zitten wachten tot zijn tijd gekomen is?
Het enige wat Arthur van Hooylandt in leven houdt, schrijft Erik Vlaminck in zijn Suikerspin, is zijn clangevoel. De trots op het kermisbestaan. Zijn grootvader reisde al sinds 1896 langs de Vlaamse dorpen en steden met ‘fenomenen’: een zeemonster (in werkelijkheid zijn geestelijk gehandicapt broer), een vrouw met een baard, de Siamese tweeling Joséphine en Anastasia.
Maar ook die trots is misplaatst, ontdekt Vlaminck in de archieven. Het leven van de eerste Van Hooylandt is een en al ellende en miserie. In armoe geboren en door zijn vader verkocht aan een forain die een hulpje kon gebruiken. Hij koelt op iedereen, zijn ‘fenomenen’ in de eerste plaats, de woede die hem verteert. Hij kan het lot niet verdragen dat hem dit leven zonder geluk heeft gegeven.
Zo is Suikerspin, geschreven met veel gevoel voor het treffende detail, veel tegelijk. Het roept de kermiswereld op in een tijd dat alleen de kermis een keer per jaar vermaak bood. Het schetst een schijnend beeld van het leven dat ‘fenomenen’ vroeger leidden. Het geeft een autenthieke stem aan een outcast als Arthur van Hooylandt. Het is een intrigerend onderzoek naar zijn ware afkomst. Het is een sociaal drama en thriller alleen.
In alle opzichten overtuigt Vlaminck. Hij bindt de verschillende lijntjes strak aan elkaar en weet zijn personages werkelijk tot leven te roepen. Alleen wie allergisch is voor sappig Vlaams zal niet van Suikerspin genieten.

Maarten Dessing

9 december 2009

Tegen het einde

Joris Note, Tegen het einde, De Bezige Bij, 2009

Tegen het einde van Joris Note is geen boek voor iedereen. Het is een intelligente, met verwijzingen naar Robespierre en Plato doorspekte mengeling van een met Multatuliaans vuur geschreven tirade tegen taalmisbruik, politici (vooral liberale) en de oprukkende cultuurloosheid, en een pleidooi voor de liefde die de energie geeft om je, in woord en daad, in te zetten voor een alternatief. Daar moet je van houden. Daar moet je aan gewonnen kunnen geven.
Maar wie zich over kan geven aan de stem van gepensioneerd leraar Maurice Loterman, zal van hem gaan houden. Hij is wat je noemt een man uit één stuk: fel, woedend, het hart op de juiste plaats, daarom ook een tikkeltje bitter, maar authentiek – vooral authentiek. Net als zijn naamgenoot Maurice Maillot, de hoofdpersoon van Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers, is hij volstrekt eigengereid. Niet uit principe, maar omdat hij niet anders kan: hij kan alleen leven zoals hij wil leven. De eenzaamheid die daaruit voortvloeit, neemt hij voor lief.
Oppervlakkig beschouwd doet Loterman in Tegen het einde niets dan kankeren. Tegen het einde van de cultuur. Tegen het einde van het leven. Tegen het einde van een carrière die hem vooral desillusies heeft opgeleverd. Maar het plot is subtieler. Loterman laat ook zien dat juist de liefde hem de kracht geeft om overal tegen te blijven – om zich te blijven verzetten tegen de middelmaat en de gemakzucht. Dat blijkt aan het einde: zonder de onwaarschijnlijke liefde van een ex-leerling zou hij deze tirade nooit hebben kunnen afsteken.

Maarten Dessing

24 juni 2008

Elias

Maurice Gilliams, Elias, J.M. Meulenhoff, 1935

Wat een wonderlijke beginzin. ‘Wanneer Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid onderstboven als betooverde apen.’ Terwijl ik langzaam vorderde in deze korte roman, las ik hem steeds opnieuw, hardop in mezelf, en nog altijd geven de woorden niet hun volledige betekenis prijs. Ik kan wel uitleggen wát er staat, maar de poëzie van de zin – die blijft raadselachtig.
Het hele boek heeft dezelfde sfeer, die doet denken aan het werk van Erwin Mortier – of eigenlijk moet ik zeggen: het werk van Mortier doet denken aan Gilliams. De introspectieve taal. De poging om voor de kleinste sensatie woorden te vinden. De evocatie van een inmiddels langvervlogen jeugd – in dit geval een gegoede Vlaamse familie rond 1900 op hun landgoed. Een hypergevoelig jongentje die de familiegeheimen waarin niemand hem inwijdt, alleen instinctief aanvoelt. En opnieuw: de poëzie in ieder woord.
Elias is een wonderschone roman, zorgvuldig opgebouwd uit wonderschone zinnen. De schets van de laatste jeugdjaren van Elias voor hij naar de kostschool (‘het Instituut’) moet, is mysterieus en concreet tegelijk. De verouderde spelling van deze uitgave benadrukt dat alleen maar.
En dat tot en met de laatste zin:
‘Wanner ik een paar uren later tusschen tante Henriëtte en mijne moeder zit, in de breede, schokkende koets: de ruiten zijn door onze warme adem beslagen en tante veeft met haar handschoen over het troebel glas, – dan moet ik tot ziekwordens toe mijn woede verkroppen om iets waar ik de noodzakelijkheid niet van begrijp, – waarom het zoo droef, zoo onrechtvaardig moet zijn?

Maarten Dessing

6 november 2007

Alle dagen samen

Erwin Mortier, Alle dagen samen, De Bezige Bij, 2004.
   
Mortier kruipt in de novelle Alle dagen samen in het lichaam van een vijfjarig jongetje. Hij woont in huis met zijn ouders, grootouders en overgrootvader. Het is zomer, de tuin en de kamers vormen het decor, de gesprekken van de volwassenen en de geluiden in en om het huis de achtergrondmuziek. Overgrootvader ligt op sterven, moeder is zwanger van een broertje. Voor de vijfjarige aan de ene kant niets om zich over te verbazen, maar het is moeilijk te vatten, dat wel. Zelf lag hij een jaar geleden nog ziek in bed, koortsijlend met vuurwerk in zijn hoofd. Men vreesde voor zijn leven. En nu is het overgrootvader die in een kist gestopt wordt.
Hij observeert de wereld, van onderaf. De mensen die langskomen, zoals de dokter die opmerkt dat het maar beter is de rest van de familie op de hoogte te stellen van de toestand van overgrootvader of de buurvrouw die over de heg hangt 'omdat de dagen aan haar kant leger zijn dan hier' en Zie genoemd wordt omdat ze iedere zin besluit met 'zie'. De lezer observeert mee, begrijpt door het filter van de vijfjarige wat er gaande is, voelt zich klein tussen de benen, schoenen en schenen in donkerzwart gaas op de begrafenis van overgrootvader. 
Mortier beschrijft treffend de belevingswereld van het kind, iets wat moeilijk te controleren is en alleen maar inbeelding blijft voor de volwassene. Maar je twijfelt geen moment, zo moet ik de wereld ook gezien hebben toen ik zelf vijf was. 

Arjen van Meijgaard

3 oktober 2007

Het derde huwelijk

Tom Lanoye, Het derde huwelijk, Prometheus, 2006
 
Tom Lanoye beweerde ooit tijdens een schrijversoptreden in Leiden dat een kunstenaar de plicht heeft zich geëngageerd op te stellen. Het is belangrijker maatschappelijk betrokken te zijn en, in zijn geval, te schrijven, dan een perfect kunstwerk af te leveren. Dit zei hij onder meer in het kader van zijn zojuist verschenen boek Het derde huwelijk. Het gaat over Maarten Seebregs, een homoseksuele ex-filmmaker, die, na het overlijden van zijn vriend, met een Afrikaanse asielzoekster (Tamara) trouwt opdat zij een verblijfsvergunning kan krijgen. Hij wordt hier uiteraard voor betaald. Op komische wijze wordt beschreven hoe de twee aanstaanden gevolgd en doorgelicht worden door de Dienst Vreemdelingenzaken. En passant komt de vader van Maarten langs, weggestopt in een bejaardentehuis op het platteland. Tijden een tramrit worden Maarten en Tamara uitgescholden door Marokkaanse jongetjes wat uitloopt in een ordinair straatgevecht. En niemand van de omstanders die iets doet. Aan het einde van het boek komen ze in een asielzoekerscentrum terecht om de broer van Tamara te redden en mee naar huis te nemen. Het blijkt gevestigd te zijn in hetzelfde gebouw waar Maarten als klein jongetje verbleef in een vakantiekolonie. Ook opgesloten, ver weg van huis. Zo is de cirkel rond. Althans bijna, de broer blijkt niet de broer, maar de minnaar van Tamara. Hierdoor lopen ze alledrie gevaar, Maarten op een fikse boete en de twee Afrikanen om het land uitgezet te worden. Het kan Maarten weinig meer schelen. De laatste pagina’s zien we hem de zee inlopen, het water tot aan zijn lippen, tot de golven hem overspoelen.
Engagement genoeg lijkt me. Maar juist door de opmerking van Lanoye dacht ik bij ieder maatschappelijk probleem dat langs kwam (racisme in de tram, bejaarden in een tehuis, asielzoekers in een centrum) dat het er iets te dik op lag. En bovendien vraag ik me af of de lezer erdoor anders tegen de dingen zal aankijken. Misschien denkt hij alleen maar: mooi verhaal, knap verteld, goede stijl. Zoals ik dacht toen ik het uit had.

Zie ook hier.

Arjen van Meijgaard

7 juli 2007

Een aangename postumiteit

Herman de Coninck, Een aangename postumiteit, brieven 1965-1997, De Arbeiderspers 2004

Aan de brieven van een schrijver herkent men het werkelijke gehalte van zijn talent. Haastig geschreven zakenbrieven, kattebelletjes, al te particulier gejammer aan intieme vrienden – de schrijver die ook dan buitenstaanders weet te boeien, komt de kunst van het schrijven blijkbaar aanwaaien. Of neemt het schrijven zo serieus dat hij op al zijn teksten, hoe onbenullig ook, zijn uiterste best doet.
Herman de Coninck was zo’n schrijver. Een aangename postumiteit, de selectie van 444 uit zijn bewaard gebleven correspondentie van circa 15.000 brieven, is een genot. Met zijn lenige pen formuleerde hij schijnbaar achteloos de ene prachtige vondst na de andere. Wie hij ook iets moest melden, persoonlijk of privé, hij deed het open, eerlijk en volstrekt origineel.
Voor elk register had hij de juiste toon in huis. In zijn bedelbrieven om sponsoring voor het Nieuw Wereld Tijdschrift, dat hij oprichtte en jarenlang bezielde, kwam hij vaak humoristisch uit de hoek. Slordige bloemlezers en nalatige uitgevers klaagde hij fel, maar zonder rancune aan. En wie een geliefde verloor, wist hij te raken. De Coninck koos precies de woorden die troostend medeleven boden en tegelijk steun om verder te kunnen gaan.

Maarten Dessing

17 januari 2007

Alle uitbarstingen

Geert van Istendael, Alle uitbarstingen, Atlas, 2001

Geert van Istendael lees je om de stijl. Met zijn barokke taalgebruik en zijn sterk betogende verteltrant blaast de Belgische essayist ieder betoog leven in. Of hij schrijft over de Dutroux-affaire, een zoektocht naar een ouderwets type theepot of het oeuvre van Dirkje Kuik, steeds dringt zich het beeld op van een auteur die briesend achter zijn computer zijn woede van zich afschrijft. In ieder woord voel je een diepdoorleefde emotie.
Gelukkig ben ik het ook vaak met met Van Istendael eens. Hij is tegen hjoemen riezzors mennedjers. Hij is tegen verspilling van wat goed was: de verkoper van frisse lucht krijgt te horen dat hij al zijn hele leven gratis frisse lucht ontvangt door twee ramen tegen over elkaar open te zetten. Tegen een leven waarin alleen geldelijk gewin telt en iedere lust wordt vergald door de stinkende dampen van het almaar voortrazende verkeer.
Stel je voor dat ik daar fundamenteel anders over dacht? Had ik dan ook ieder boek van Van Istendael verslonden? Iemand in prachtig proza de grofste inbreuken zien plegen tegen al wat waardevol is – zou ik de stijl dan minder waarderen?
In de tijd dat de teksten van Alle uitbarstingen zijn geschreven – de jaren negentig van de vorige eeuw – zou ik moeite hebben gehad met Van Istendaels bekentenis een reactionair te zijn. Nu niet meer. In deze tijd wordt ieder pleidooi voor vrijheid, gelijkheid en broederschap afgedaan als reactionair. Anno 2007 durven linkse mensen, die de menselijke waardigheid hoog proberen te houden, zich steeds openlijker conservatief te noemen.
In recentere boeken van Van Istendael pakt hij echter de Nederlanders aan omdat ze bijna aan vluchtelingen, asielzoekers en gastarbeiders hun eigen identiteit hadden verkwanseld. Daar ben ik het niet mee eens. En dan lijkt het alsof de auteur zijn scherpe wapens niet voor, maar tegen mij gebruikt. Opeens leent mij niet meer de woorden en argumenten waarmee ik debatten kan winnen, hij levert ammunitie aan mijn tegenstanders.
Van Istendael lees ik voor de stijl, maar alleen dan wanneer hij voor mijn parochie preekt. Ik ben dus net als iedereen. Dat knaagt.

Maarten Dessing

4 december 2006

Brieven uit Nergenshuizen

Paul de Wispelaere, Brieven uit Nergenshuizen, 1986 (Atlas, derde herziene druk 1998)

Brieven uit Nergenshuizen verschilt niet zo veel van Het verkoolde alfabet, het bekendste werk van De Wispelaere. In beide is vorm autobiografisch: in dit werk brieven, in het andere een dagboek. In beide werken vertelt hij over zijn relaties met B., Sarah en Ilse, over de natuur, het leven op zijn erf en de literatuur. En de zinnen zijn in elk boek afgewogen, verzorgd, mooi – kortom: heerlijk om te lezen, aan eenieder aan te raden.
Het verschil is: Brieven uit Nergenshuizen is zes jaar ouder. Maar lees ik nu zo’n twee jaar later. Stel, dacht ik op een gegeven moment, dat je een autobiografisch getint oeuvre (ongeacht hoe waarachtig dat is) achterstevoren leest, wat zou je dan aantreffen? Worden dezelfde verhalen steeds complexer, omdat ze steeds dichter op het heden zitten en dus minder zijn ingesleten tot vaste formuleringen? Wordt de auteur milder? Of juist niet? Het zou zijn, stel ik mij voor, alsof je steeds dieper in de ziel van de auteur doordringt, naarmate hij zelf minder vaak over zichzelf heeft geschreven.
Tot slot dit. Op pagina 37 schrijft De Wispelaere dat het onmogelijk is om het verschil aan te duiden tussen literatuur en lectuur, maar wel tussen lezers voor wie lezen een levensbehoefte is en lezers die af en toe een boek lezen omdat ze dat leuk vinden: de eerste lezen enkel literatuur. Dat lijkt me het definitieve antwoord op de irrelevante discussie over literatuur en lectuur.

Maarten Dessing

6 november 2006

Dinsdagland

Dimitri Verhulst, Dinsdagland, Contact, 2004

Wat te lezen na De helaasheid der dingen? De roman die Verhulst een AKO-nominatie opleverde, was voor de meeste lezers de eerste kennismaking met deze Vlaamse veelschrijver. Inclusief zijn nieuwste, Mevrouw Verona daalt de heuvel af, bestaat de keus uit zeven boeken. Slechts weinigen zullen grijpen naar Dinsdagland. Een verzameling reportages, eerder in de krant De Morgen verschenen? En voor Nederlanders: over dat Belgiëland waar ze niets van af weten? Het zou ten onrechte zijn, als ze het boek links laten liggen.
Dinsdagland bevat geen zuiver journalistieke reportages. In ieder stuk pakt Verhulst een onderwerp bij de kop – dat is waar. Maar hij behandelt zijn onderwerpen strikt persoonlijk. Een verhaal over duivensport begint met enkele anekdotes over zijn voormalige buurman die met zijn duiven de buurt terroriseerde. Een bezoek aan het casino van Spa vertrekt vanuit een beschouwing over zijn eigen houding tegenover gokken. En dat alles in een taal zo sprankelend, zo vindingrijk, dat ik me schaam dat ik dit boek in zulke povere bewordingen moet bespreken.
Zij die na De helaasheid der dingen inderdaad deze bundeling aanschaffen, zullen bovendien veel figuren herkennen: nonkel Potrel die zo goed kan kaatsen, zijn vader de postbode die op 37-jarige leeftijd aan kanker bezwijkt, het pleeggezin waar de jonge Verhulst belandt, zijn moeder die meer om zichzelf dan om haar kind geeft. De helaasheid der dingen heet een roman te zijn, Dinsdagland journalistieke reportages, maar in feite zijn beide boeken onderdeel van het grote autobiografische epos over het personage Dimitri Verhulst.

Maarten Dessing

18 oktober 2006

Een Ontgoocheling

Willem Elsschot, Een Ontgoocheling, uit: Verzameld werk, P.N. van Kampen en Zoon n.v., 1960.

Ik denk dat het nooit positief uitpakt om een boek te lezen na z'n verfilming of toneelbewerking. Het boek is immers altijd beter en je zit opgescheept met bekende koppen van tv die je niet vindt passen bij de personages uit het verhaal. Of het decor is vele malen heftiger en opvallender dan dat je het in je hoofd zou creëren. Dit gaat echter niet altijd op, heb ik gemerkt.
Het lukte me niet Een Ontgoocheling van Elsschot uit te lezen nadat ik de toneelbewerking ervan gezien had, twee weken geleden in Amsterdam. Niet omdat ik verpest was, maar omdat ik me het verhaal niet beter had kunnen voorstellen dan dat het vertolkt werd door Herman en Vincent Verbeeck (in het echt, net als in het verhaal, ook vader en zoon). Mijn fantasie had geen treffender invulling kunnen geven aan de beelden en karakters.
Het decor was sober en de tekst werd integraal gevolgd, de acteurs hadden een Vlaams accent en ze speelden het voortreffelijk. Zelf was ik er nooit opgekomen om een tango van Piazzolla door het stuk te weven of borden op de grond kapot te smijten om daarna rustig door te lezen.
Ik vermoed dat de wrange humor grappig was omdat ik de mimiek voor me zag en niet zwarte letters waarmee het wordt beschreven. De stiltes had ik nooit zolang aangehouden om de tragiek ruimte te geven.
Stom dat ik het verhaal niet uit had gelezen voor de voorstelling. Nu zal ik het de komende jaren niet snel ter hand nemen. Of misschien toch, om de herinnering aan het toneelstuk op de te roepen en het verhaal weer levend voor me te zien. Toneel is niet altijd geschikt om te lezen, maar sommige verhalen blijken uitermate geschikt om gespeeld te worden.
Een Ontgoocheling is tot eind december in het theater te zien. Voor meer informatie zie: http://www.impresariaatwallis.nl/

Arjen van Meijgaard

25 september 2006

Het goddelijke monster

Tom Lanoye, Het goddelijke monster, Prometheus, 1997.

Voor het eerst las ik iets van deze Belgische schrijver, en ik heb er geen spijt van. De stijl, het verhaal en het plot, alledrie waren ze zoals men van een goed boek mag verwachten. Soms als een stortbad, dan weer rustig voortkabbelend als een eigenwijs beekje beleeft de lezer de zinnen. Rake metaforen, komische dialogen, geen taaie zinnen die je nog eens over moet lezen om zeker te weten wat er staat.
En het verhaal? Een familiegeschiedenis, een godfather-story van de Lage Landen, met in de hoofdrol een mooie jonge vrouw die alleen maar leed veroorzaakt. Ze moordt, brengt schade toe aan het zakenimperium van haar oom en aan de politieke carrière van haar vader, maar ze kan er niets aan doen. Het hoort bij haar wezen, bij haar karakter. Een vasthoudende en door en door cynische onderzoeksrechter denkt daar echter anders over. Hij zal die maffiose familie binnenstebuiten keren, alle corruptie binnen de politiek en de industrie blootleggen, hij zal zijn superieuren eens wat laten zien. Maar of hem dat lukt is uiteindelijk ondergeschikt. Niet alleen de levende personages worden van binnenuit belicht en worden stuk voor stuk een deel van het verhaal, maar zelfs de vermoorde man van de jonge vrouw kan zijn zegje doen. Hij relativeert en becommentarieert, tot op de laatst pagina. Eerst dacht ik dat dit aspect wat ver gezocht was, maar het past, het had niet anders gekund.
Is er dan niets op aan te merken? Volgens mij niet, maar misschien dat u er heel anders over denkt.

Arjen van Meijgaard

13 september 2006

Los

Tom Naegels, Los, Meulenhoff/Manteau, 2005

Een boek waarvan ik niet goed weet wat ik er mee aan moet. Soms heb je dat. Van Los weet ik niet wat ik ervan moet denken. Op het – overigens fantastisch door Booreman & Houbrechts vormgegeven – omslag staat ‘roman’. Maar moet ik het wel lezen als roman? In Vlaanderen, waar dit boek een groot succes is (ik bezit de zevende druk), lijkt iedereen het boek te lezen als journalistieke documentaire. Het aanstaande GWMD-festival, eind deze maand in Rotterdam, kondigt Naegels aan als beoefenaar van ‘new journalism’.
Waar gaat Los over? De opa van de hoofdpersoon ligt op sterven. Ooit was hij een socialist, tegenwoordig kankert hij op alles – vooral op wat ‘bruin’ is. De hoofdpersoon zelf heeft zijn vriendin verlaten voor een geïmmigreerde Pakistaanse, die hij nota bene heeft leren kennen op een inburgeringscursus voor Vlamingen en immigranten waar hij zijn opa mee naar toe heeft genomen om hem van zijn racisme te genezen. De gebeurtenissen dwingen de hoofdpersoon veel na te denken over de nieuwe, multiculturele samenleving. Hij woont ook nog eens in Borgerhout, bij buitenstaanders bekend als Borgerocco.
Deze gebeurtenissen zijn door de auteur verzonnen. Daarom is Los fictie. Maar als literatuur schiet dit verhaal tekort. Het dilemma van de moderne maatschappij wordt te expliciet aan de orde gesteld – het lijkt wel een jeugdroman. De stijl is te... tja, helder. Uit alles blijkt: de lezer mag het thema niet verkeerd begrijpen. Een subtiel portret van een jongeman die in de multiculturele wereld worstelt met liefde, familierelaties, zijn baan? Nee: het gaat om zijn worsteling met zijn engagement en anders niet. Al het andere is daar ondergeschikt aan.
Maar als het nu eens echt gebeurd was... Dat begon ik te verlangen, toen ik toch met voelbaar plezier bladzijde na bladzijde omsloeg. Was dit maar een boekuitgave van een eerder in de krant verschenen feuilleton. Dan was de themabehandeling niet te expliciet – dan had Naegels zijn taak als journalist om helder inzicht te verschaffen in de samenleving en de problemen van haar bevolking, voortreffelijk volbracht. Dan had ik zijn stijl geroemd: schreven alle journalisten maar zo helder.

Maarten Dessing

21 augustus 2006

Het schismatieke schrijven

Erik Vlaminck, Het schismatieke schrijven (zes delen), Wereldbibliotheek, 1992-2005

Waarom zet een uitgever zoiets op de achterflap? ‘Een roman fleuve over wie we zijn en waar we vandaan komen.’ Zou iemand een roman, of in dit geval: een cyclus van zes romans, openslaan om te achterhalen waarom hij is wie hij is? Ik hoor het graag als een lezer op deze vraag bevestigend antwoordt.
Zelf raad ik de boeken van Erik Vlaminck aan om de sfeer die hij oproept. In korte, beeldende zinnen schetst hij het Vlaanderen van zijn ouders en grootouders alsof je erbij geweest zou willen zijn. De melancholie van zijn opa die met de verkeerde vrouw is getrouwd. Een receptie na afloop van een begrafenis in het Brussel van de jaren 1930. De dilemma’s waarover gewone mensen die zich nooit met politiek hebben bemoeid, komen te staan als de Duitsers België veroveren. Ieder hoofdstuk is van grote schoonheid. Een plot hebben de romans nauwelijks, maar het meesterschap waarmee Vlaminck zo veel weglaat en daardoor zo veel oproept, is zo groot dat een plot je daar maar van zou afleiden. Hoe meer plot, hoe minder je van deze romans geniet.
Veel recensenten en letterkundigen zouden zich concentreren op de inhoud: het leven van Vlamincks eigen voorouders – in hoeverre is de dwang van de katholieke moraal, de strijd tegen de armoe en de Duitse bezetting, die Vlamincks familie heeft getekend, archetypisch voor alle Vlamingen? Zij schrijven dan snel zinnen zoals die waarmee de uitgever het boek probeert te verkopen. Maar zonder dat ze er erg in hebben, doen ze het werk van Vlaminck tekort.

Maarten Dessing

2 augustus 2006

De koele minnaar

Hugo Claus, De koele minnaar, De Bezige Bij, 1956 (24e dr., 1986)

‘Ik moet toegeven onder het lezen van deze roman nu en dan werkelijk kwaad te zijn geworden. Want Claus is onbarmhartig en delicaatheid is niet zijn meest opvallende eigenschap.’
Woorden van Kees Fens, geciteerd op de achterflap van mijn uitgave. Ik kan ze niet beamen. Ik vermoed dat Fens zich heftig opwond over het nihilisme van de personages, de toespelingen op gemakkelijke, ook homoseksuele seks, het zinloze van het leven. Wat blijft vijftig jaar na verschijnen over van die woede? Weinig. Er zijn zo veel boeken geschreven die zo veel verder gaan. Denk aan het oeuvre van Bret Easton Ellis en zijn honderden navolgers.
Het is mooi geschreven, De koele minnaar. Dat wel. Claus schrijft intense, poëtische zinnen die je dwingen aandachtig de onvolmaakte liefde van Edward, een jonge Belg, en Jia, een Italiaans actricetje, in het milieu van het ‘Ras van de Glimlach’ te lezen. Over iedere alinea hangt een indringende melancholieke waas. Edward en Jia kunnen niet van elkaar houden, maar elkaar ook niet verlaten. Maar het raakt niet echt. De schok die het indertijd heeft veroorzaakt, kun je niet invoelen – slechts navoelen.
Sommige klassiekers roepen nog altijd emotie op, lang nadat de tijd is vergleden waarin het is geschreven. Het lijden van de jonge Werther van Goethe. Andere boeken roepen een nieuwe, indertijd volkomen onbedoelde emotie op. Julia van Rhijnvis Feith, waar ik hartelijk om heb gelachen. Maar de meeste boeken kun je alleen ten volle waarderen wanneer je beseft in welke tijd het is geschreven.
Het is spijtig dat sommige boeken van Claus al tijdens zijn leven in die laatste categorie vallen.

Maarten Dessing

29 juli 2006

De man die werk vond

Herman Brusselmans, De man die werk vond, Prometheus, 2004 (eerste druk 1987).

Is Brusselmans een lekker stuk chocolade?
Dit is het derde deel in de reeks Nieuw Verzameld werk, waarin de vroege boeken van Brusselmans in nieuwe uitgaven verschijnen. Op het oog mooi uitgegeven, met een harde kaft, maar zoals de meeste boeken tegenwoordig, is het helaas gewoon gelijmd. Ik had nog niet eerder iets van Brusselmans gelezen, maar toen ik dit boekje bij de Slegte aantrof, leek het mij wel het proberen waard. Louis Tinner is een cynische bibliothecaris die de dagen met moeite doorkomt. Hij bemant in zijn eentje een bibliotheekje met literaire werken in een soort overheidsinstelling en houdt het liefst de deur dicht. Steeds als er geklopt wordt, twijfelt hij of hij zich stil zal houden of de onverwachte bezoeker binnen zal laten. Wat weten zij nu van literatuur? Onwetende meisjes splitst hij Reis naar het einde van de nacht in de maag, iemand die komt vragen of het boek van haar broer ook in de bibliotheek staat, scheldt hij de huid vol, ze moet niet denken dat haar broer schrijver is. Hij negeert de telefoon, wisselt een paar maal daags enkele woorden met de koffiejuffrouw, rookt de hele dag door sigaretten en begint in de vroege middag al zijn zelf meegebrachte bier te drinken. De lezer voelt op zijn klompen aan dat het misgaat en dat gaat het uiteindelijk ook.
Het is een mooi boek over verveling en het zinloos slijten der dagen, en als de cynische ondertoon en de gevatte antwoorden die Louis Tinner vooral denkt maar niet uitspreekt, karakteristiek zijn voor het werk van Brusselmans, vraag ik me af of ik meer van hem moet lezen. Het zou me tegen kunnen gaan staan of ik zou er evenveel plezier aan beleven als aan De man die werk vond. Net als met en groot stuk chocolade dat erg lekker was, maar waar je misselijk van zou kunnen worden als je er meer van eet.

Arjen van Meijgaard

16 juli 2006

De komst van Joachim Stiller

Hubert Lampo, De komst van Joachim Stiller, meest recente uitgave: Meulenhoff, 2003.

Ik was jong en ik las van alles. Degelijke geschiedwerken van Barbara Tuchmann, verzamelde columns van Youp van ‘t Hek, onvermijdelijke leeslijstklassiekers als Wierook en Tranen van Ward Ruyslinck, Vondel omdat de school ook 17e eeuwse werken verplicht stelde, serieuze literatuur uit binnen- (Campert) en buitenland (Maupassant, Greene). Alles was nieuw, alles smaakte naar meer. Alles was goed, alles wakkerde mijn leeshonger aan.
In die tijd was ook De komst van Joachim Stiller van Hubert Lampo nog een favoriet boek voor de lijst. Verschillende klasgenoten hadden het al gelezen. Dus waarom ik niet?
Veel kan ik me er niet van herinneren. Zelfs de banale informatie uit de IM’s van eerder deze week, waren me ontschoten. Maar om één reden staat de roman toch in mijn geheugen gegrift: voor het eerst ervoer ik de sensatie een slecht boek te lezen. Afkeer van een stomme hoofdpersoon, onbegrip om de onbenullige stijl die voor literatuur werd versleten, verbazing om de belachelijke inhoud – die gevoelens heeft Lampo mij als eerste gegeven.
Eén detail is me altijd bijgebleven. Aan het eind van het boek heeft hoofdpersoon Freek Groenvelt een relatie gekregen. Een week kende hij haar, nu is ze zijn vriendin. Dus wat doen ze? Ze openen een gezamenlijke rekening die hij als vanzelfsprekend beheert. Aan die hopeloos gedateerde vrouwonvriendelijkheid stoorde ik me mateloos. Hoe kón Lampo dat niet bij een herdruk corrigeren?

Maarten Dessing

7 mei 2006

Het paard Ugo

Marnix Gijsen, Het paard Ugo, Meulenhoff, 1968.

In de Troost van de Slapstick roemt Arnon Grunberg de schrijver Marnix Gijsen en dan vooral twee van zijn romans: De kroeg van groot verdriet en Het paard Ugo. Volgens Grunberg begrijpt Gijsen dat het in het leven om de kleine gevoelens gaat en niet om de grote. Hij imponeert niet met ingewikkelde zinnen en roept geen spanning op die toch niet wordt waargemaakt.
Onlangs deed iemand een stapel boeken weg en heb ik Het paard Ugo er tussenuit gevist. Ik wilde wel eens zien of Grunberg gelijk had.

Het is 1941, de hoofdpersoon heeft een saaie kantoorbaan in New York en woont met zijn vrouw in een kleine flat. Ze zijn niet gelukkig samen. Hij leeft de dagen als een noodzakelijk kwaad, de enige dingen die voor afleiding zorgen zijn het oude paard van een man die met ijs en kolen langs de deuren gaat en een vrouw met wie hij op kantoor de liefde bedrijft. Het decor is het Amerika dat op het punt staat zich te mengen in de Tweede Wereld Oorlog.
Aan het einde van het boek is het het paard Ugo dood en heeft de ik de vrouw die hem beminde afgewezen, maar 'het is een feit dat al mijn echte en ingebeelde problemen plots van me afvielen als oude gewaden en dat ik maagdelijk stond tegenover maandag 6 december 1941, de aanvang van de hergeboorte van onze vrije wereld met, - dat moet gezegd,- al haar ontzettende wanstaltige problemen.'

Grunberg heeft gelijk, de stijl van Gijsen is onopgesmukt en direct. De gebeurtenissen die hij beschrijft zijn onbeduidend in het grotere geheel, maar belangrijk voor de hoofdpersoon. Dood, liefde en verlangen op kleine schaal, als onvermijdelijk onderdeel van het leven van alle dag, dat is wat de lezer herkent en waarmee hij zich kan identificeren, ik althans wel.
Het paard Ugo is zeker de moeite waard gelezen te worden, een heruitgave van dit boek zou heel wat recent verschenen boeken overbodig maken.

Arjen van Meijgaard

1 mei 2006

Mooie jonge honden

Diverse Vlaamse auteurs, Mooie jonge honden, van Halewyck, 2003

Een verzamelbundel is bij uitstek geschikt om in korte tijd kennis te maken met een heleboel auteurs. Voor mij is dat zelfs de hoofdreden een bundel als Mooie jonge honden te consumeren. Van de 18 opgenomen schrijvers had ik van slechts vijf ooit iets gelezen. Sommigen kende ik niet eens van naam, om de eenvoudige reden dat deze auteurs nog geen boek hebben gepubliceerd. (Een groot lezer van literaire tijdschriften ben ik eerlijk gezegd niet.)
Het meest opmerkelijk aan Mooie jonge honden is het ontbreken van mooie, afgeronde verhalen-uit-één-stuk. Het zijn nagenoeg stuk voor stuk twintig pagina's tellende, meerstemmige sfeerbeelden vol perspectiefwisselingen. In plaats van één sterk verhaal dat als een slag in je gezicht aankomt, zijn het korte situatie- of karakterschetsen. En doorgaans gericht op het vreemde en buitenissige. Snelle herkenning zal de lezer in deze bundel niet vinden.
Jef Aerts en Dimitri Verhulst zijn de uitzonderingen die de moeite waard zijn eruit te lichten. De eerste kende ik alleen van naam, de tweede beveel ik al langer aan. Aerts schreef een verhaal over twee mannen die dezelfde vrouw beminnen. Zonder dat zij vooraf op de hoogte zijn gesteld, brengt ze hen samen op de geheime ontmoetingsplek. Zelf blijft ze weg. Verhulst op zijn beurt beschrijft de gedachte van een dode jongeman in het mortuarium.
Let wel: de andere auteurs zijn niet per definitie slecht. Maar hun bijdragen hebben mij niet zo geprikkeld dat ik nog dezelfde dag op zoek ging naar hun zelfstandige publicaties.

Maarten Dessing

19 februari 2006

Slaap!

Annelies Verbeke, Slaap!, De Geus, 2003.

Maya lijdt nog niet zo lang aan slapeloosheid, Benoit al veel langer, maar ze lijden er niet alleen aan, ze lijden er vooral onder. Zelfs met desastreuze gevolgen. De levens van de twee hoofdpersonen vloeien samen op onverwachte momenten, bijvoorbeeld wanneer zij midden in de nacht bij vreemde mensen aanbelt, onder andere bij hem, of wanneer zij haar toevlucht zoekt op een trappetje van een hotel, waar hij werkt en haar door de beveiligingscamera ziet.
Niet alleen de ervaringen van Benoit als kleine jongen worden boeiend en meeslepend beschreven, maar ook zijn opname en ontsnapping uit het 'zottenhuis'. Knap is het hoe Verbeke zeventien jaar van het leven van Benoit in een korte passage beschrijft en toch de essentie van zijn karakter daarmee nog extra aanzet, het beeld van zijn leven verder inkleurt.
Maya kwam voor mij minder uit de verf, bleef af en toe steken op het niveau van een personage met een paar aparte karaktereigenschappen. Ook lieten haar gedachten zich lastiger lezen, en daarmee kon ik me minder goed in Maya inleven.
De stijl van Annelies is verrassend en gaat soms tot op het bot: het doet pijn wanneer Benoit in elkaar geslagen wordt.
Het is goed wanneer je wilt doorlezen, maar het is nog beter wanneer je het jammer vindt dat het boek na 160 pagina's ophoudt. Zondermeer indrukwekkend, ben benieuwd naar haar volgende roman, Reus.

Arjen van Meijgaard